| Plan: | Borssele, gedeelte Quistenburg, 2014 |
|---|---|
| Status: | voorontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0654.BPQB2014-0001 |
De gemeente Borsele heeft besloten om alle (verouderde) bestemmingsplannen binnen haar grondgebied te actualiseren. Een belangrijke aanleiding voor deze actualisatie vormt de per 1 juli 2008 in werking getreden Wet ruimtelijke ordening (Wro). Binnen de Wro blijft het bestemmingsplan het centraal normstellend instrument met binding voor zowel overheid als burger. Bestemmingsplannen moeten eens in de 10 jaar worden herzien voor het gehele grondgebied van de gemeente om op deze manier over geactualiseerde bestemmingsplannen te kunnen beschikken. Voor gebieden met een lage dynamiek, waar in de toekomst niet of nauwelijks wijzigingen te verwachten zijn, kan de gemeente een beheersverordening vaststellen in plaats van een bestemmingsplan. Hiervoor is in het onderhavige plangebied niet gekozen. Ook een beheersverordening dient namelijk iedere 10 jaar te worden herzien.
Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op het bedrijventerrein Quistenburg bij Borssele. In onderstaande figuur is het plangebied weergegeven. Het voorliggende plan biedt een handvat om ontwikkelingen gericht te sturen en daarmee de ruimtelijke kwaliteit van het bedrijventerrein binnen de gemeente Borsele te behouden.
Figuur 1: Luchtfoto met globale aanduiding plangebied
Het door de gemeente ingezette actualiseringstraject heeft mede ten doel het aantal vigerende bestemmingsplannen voor het gemeentelijk grondgebied te reduceren. De onderstaande bestemmingsplannen worden met het van kracht worden van het voorliggende bestemmingsplan geheel of gedeeltelijk herzien:
| Bestemmingsplan | Vastgesteld | Goedgekeurd | Onherroepelijk |
| Borssele, gedeelte “Bedrijfsterrein Kaaiweg” | 3 juli 1984 | Gedeeltelijk goedgekeurd 19 maart 1985 | |
| Borsels Buiten | 26 juni 2007 | 05 februari 2008 | |
| “Herziening geluidzone Sloegebied” | 2 november 2006 | Gedeeltelijk goedgekeurd 29 mei 2007 |
Figuur 2: Tabel vigerende bestemmingsplannen
Daarmee worden ook de bebouwings- en gebruikswijzigingen, die in afwijking van deze plannen in de loop der jaren vooruitlopend op een bestemmingsplanherziening zijn toegestaan, geformaliseerd. Daarnaast wordt met dit bestemmingsplan de bestemmingsplansystematiek gestandaardiseerd en geactualiseerd en worden nieuwe ontwikkelingen in het plangebied van een adequate regeling voorzien.
Figuur 3: Uitsnede uit plankaart vigerend bestemmingsplan
Bestemmingsplan Bedrijfsterrein Kaaiweg
Het plangebied ligt voornamelijk binnen het bestemmingsplan Borssele, gedeelte “Bedrijfsterrein Kaaiweg” .Binnen het bestemmingsplan hebben vrijwel alle gronden de bestemming 'Bedrijven, Klasse B en C'. De ligging van de interne ontsluitingsstructuur van het bedrijventerrein komt niet geheel overeen met de huidige ligging van deze straat. Deze omissie kan met dit bestemmingsplan worden hersteld. Binnen het vigerende bestemmingsplan is aan de Monsterweg één woning gelegen die valt binnen de bestemming 'Eengezinshuizen in open bebouwing, klasse C, met bijbehorende erven. Deze woning is buiten het plangebied van onderhavig bestemmingsplan gelegen en is meegenomen in het bestemmingsplan “Kern Borssele 2013”.
Bestemmingsplan “Borsels Buiten”
Aan de buitenrand van het plangebied is in het verleden de uitbreiding van een bedrijf gerealiseerd door middel van een artikel 19 lid 1 WRO procedure. Deze gronden liggen momenteel gedeeltelijk in het bestemmingsplan “Borsels Buiten” en voorzien van een agrarische bestemming. Ook de groene randen van het bedrijventerrein Quistenburg zijn in dit bestemmingsplan gelegen en voorzien van een agrarische bestemming.
Thematische herziening geluidzone
Tevens is het bestemmingsplan “Herziening geluidzone Sloegebied” van toepassing aangezien het grootste deel van het bedrijventerrein Quistenburg binnen de geluidzone van het Sloegebied ligt. In voormeld bestemmingsplan zijn de beperkingen voor de realisatie van nieuwe geluidgevoelige functies vastgelegd in een regeling, welke luidt dat binnen het plangebied geen nieuwe eensgezinshuizen (dienstwoningen) mogen worden opgericht.
In het navolgende hoofdstuk 2 komt het beleidskader aan de orde. Hoofdstuk 3 gaat hierna in op de inventarisatie en analyse van het plangebied. Met de visie op het bestemmingsplangebied (hoofdstuk 4) geeft de gemeente aan welke ontwikkelingen zij, binnen de planperiode en binnen de marges van het reële, voor het bedrijventerrein wenselijk acht. Hoofdstuk 5 gaat in op de milieu- en duurzaamheidaspecten van het plan. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 de juridische vormgeving van het plan toegelicht. In de hoofdstukken 7 en 8 de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke toetsing/overleg aan de orde.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de beleidsdoelstellingen van het rijk, de provincie en de gemeente welke van invloed zijn op de beoogde ontwikkeling. Daarnaast wordt ingegaan op de beleidsdoelstelling die ten grondslag ligt aan de actualisering van het bestemmingsplan.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Inleiding
Op 13 maart 2012 is de Rijkstructuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig gebleken omdat de verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit gedateerd zijn door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden.
De visie is vernieuwend in de zin dat ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur sterker dan voorheen met elkaar verbonden worden. De structuurvisie vervangt daarvoor de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak, de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving en de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de Agenda Landschap, de Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. De Structuurvisie Nationaal Waterplan blijft in zijn huidige vorm als uitwerking van de SVIR bestaan.
In de structuurvisie schetst het Rijk de ambities voor concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid tot 2040 (lange termijn) en doelen, belangen en opgaven tot 2028 (middellange termijn).
Hoofddoelstellingen
De centrale visie wordt uiteengezet in drie hoofddoelstellingen voor de middellange termijn (2028), namelijk “concurrerend, bereikbaar en leefbaar&veilig”. Voor de drie rijksdoelen zijn de onderwerpen van nationaal belang benoemd waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. De drie hoofddoelstellingen zijn:
De rijksverantwoordelijkheid voor het systeem van goede ruimtelijke ordening is zonder hoofddoelstelling, als afzonderlijk (nationaal)belang opgenomen: zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Dit nationaal belang is in de Barro en het provinciale beleid uitgewerkt met de ladder duurzame verstedelijking.
De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Voor alle nationale opgaven worden rijksinstrumenten ingezet, waarbij financiering slechts één van de instrumenten is. Ook decentrale overheden en marktpartijen dragen bij aan de realisatie van nationale opgaven.
Toetsing
Onderhavig plan betreft een beheergericht bestemmingsplan van een bedrijventerrein. Hiernaast is een kleinschalige uitbreiding van een bestaand bedrijf op het bedrijventerrein opgenomen in dit bestemmingsplan. Hiermee wordt geen nationaal belang geraakt. Het bestemmingsplan is dan ook niet strijdig met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is op 1 oktober 2012 in werking getreden. Het Barro heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. Het Barro is het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid waaraan bestemmingsplannen van gemeenten moeten voldoen. Dit betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich daarbij primair richt tot de gemeenten. Daarnaast kan het Barro aan de gemeenten opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.
De meeste onderwerpen in het Barro zijn voor onderhavig plan niet van belang. Wel van belang is, dat het Barro is aangevuld met een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De wijziging houdt in dat gemeenten en provincies verplicht zijn om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen, wanneer een zodanig besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt.
Toetsing
Conform het Barro dient de ladder duurzame verstedelijking te worden gevolgd. In paragraaf 2.3 wordt bij het omgevingsplan nader ingegaan op de ladder duurzame verstedelijking.
Omgevingsplan Zeeland 2012-2018
Inleiding
Op 28 september 2012 hebben Provinciale Staten van Zeeland het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 vastgesteld. Dit plan geeft de provinciale visie op Zeeland en waar de komende jaren door de provincie op wordt ingezet. Kort samengevat: veel ruimte voor economische ontwikkeling, een gezonde en veilige woonomgeving en goede kwaliteit van bodem, water, natuur en landschap.
Voor de steden en regio's is het kunnen aanbieden van voldoende aanbod van kwalitatief hoogwaardige bedrijventerreinen van groot belang. In 2018 is er voldoende aanbod aan goed ontsloten bedrijventerreinen en kantoorlocaties om de economische dynamiek optimaal te dienen. Er is geen structureel overaanbod en door herstructurering sluit de kwaliteit van bedrijventerreinen goed aan bij wensen en kansen uit de markt. Terreinen voegen zich goed in de (landschappelijke) omgeving.
Regionale samenwerking
Omdat de bedrijventerreinenmarkt regionaal georiënteerd is, werken gemeenten in regionaal verband samen en stemmen zij hun bedrijventerreinbeleid af in bedrijventerreinprogramma's. Deze regionale afstemming wordt door de provincie bekrachtigd. Hiermee wordt voorkomen dat gemeenten elkaar beconcurreren en wordt de markt goed bediend. Voor een realistische planning is uitbreiding van het areaal bedrijventerreinen in een regio niet groter dan de behoefte die in de komende bestemmingsplanperiode (10 jaar) wordt verwacht. Omwille van een zorgvuldige planning verlangt de provincie een consequente toepassing van de ladder voor duurzame ontwikkeling (dit aspect wordt hieronder nog verder toegelicht).
Concentratie en bundeling van bedrijven
Het is zowel ruimtelijk als economisch van belang dat bedrijvigheid geconcentreerd en gebundeld wordt ontwikkeld. Kleinschalige terreinen krijgen eenmalig de mogelijkheid voor een beperkte afronding, indien de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse verbetert.
Kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen
Om de kwaliteit van bedrijventerreinen zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij wensen en kansen uit de markt is aandacht voor beheer, bereikbaarheid, marktconforme grondprijzen en de aanpak van verouderde terreinen nodig. De provincie dringt er bij gemeenten op aan om duurzaam beheer en onderhoud bij nieuwe terreinen te borgen en ondersteunt herstructurering en transformatie van verouderde terreinen. Met gemeenten is afgesproken dat in 2018 100 hectare verouderd bedrijventerrein in herstructurering is genomen.
De duurzaamheidsladder
De provinciale inzet op bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik sluit naadloos aan bij het rijksbeleid. Voor het bevorderen van zorgvuldig ruimtegebruik is in het rijksbeleid de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Deze wordt verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en is ook van provinciaal belang. De duurzaamheidsladder is een procesvereiste en houdt in dat bij vaststelling van een ruimtelijk plan wordt gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt over het ruimtegebruik. Deze werkt met de volgende stappen die in de onderbouwing moeten terugkomen (sterk verkorte weergave):
Deze wettelijke procesvereisten kunnen worden ondersteund met de regionale afspraken. Voor begrenzing van het bestaand bebouwd gebied zullen de grenzen uit 2005 geactualiseerd worden, waarbij al onherroepelijke bestemmingsplannen worden meegenomen. Indien toch plannen buiten de grenzen tot ontwikkeling worden gebracht zal via de duurzaamheidsladder de noodzaak aangetoond moeten worden.
Toetsing
Onderhavig plan is grotendeels beheergericht en past binnen de algemene doelstellingen van het provinciale Omgevingsplan. Hiernaast staat onderhavig bestemmingsplan een kleinschalige uitbreiding mogelijk van een bestaand bedrijf op het bedrijventerrein. Gezien de aard en schaal van dit ontwikkelingsplan is het niet zinvol en nodig de duurzaamheidsladder te doorlopen.
Verordening Ruimte Provincie Zeeland
Inleiding
Samenwerking tussen de provincie, andere overheden en maatschappelijke organisaties staat in het Omgevingsplan centraal. Een aantal uitgangspunten vindt de provincie van zo'n groot belang dat ze worden opgenomen in een verordening die bindend is voor gemeenten. Met de aanpassing van het beleid, verandert ook de verordening ruimte. Provinciale Staten hebben daarom ook de Verordening Ruimte Provincie Zeeland (VRPZ) vastgesteld. Hierin zijn onder meer regels voor uitbreiding van bedrijventerreinen, woonwijken, bescherming van natuurgebieden en regionale waterkeringen opgenomen.
Relevant met betrekking tot het voorliggende plan zijn de regels omtrent “Bedrijven en detailhandelsvoorzieningen”, artikel 2.2 VRPZ, speciaal lid 4:
“4. In een bestemmingsplan wordt uitbreiding van op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande kleinschalige bedrijventerreinen niet toegestaan, tenzij in de toelichting aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van een beperkte afronding, waarbij de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert.”
Toets plan
Het voorliggende bestemmingsplan is overwegend een beheersplan, waarin de bestaande situatie is vastgelegd.
Het bestemmingsplan maakt een kleinschalige uitbreiding van het bedrijventerrein mogelijk. Het betreft een beperkte afronding van het bedrijventerrein in noordelijke richting.
De uitbreiding van het bedrijventerrein is nodig om de uitbreiding van het landbouw mechanisatie en constructiebedrijf “Van Eijzeren” mogelijk te maken. Dit bedrijf is al sinds jaar en dag gevestigd op het bedrijventerrein en is in de loop der jaren uitgegroeid van een dorpssmidse naar een volwaardig bedrijf. Het bedrijf richt zich op de landbouwmechanisatie en constructie, met een verzorgingsgebied van Walcheren tot Noord- Brabant. Door de afname van het aantal agrariërs en de verandering van de werkwijze in de landbouw is het “onderdeel“ techniek meer en meer van belang geworden en is de vraag naar grotere en geavanceerdere machines gegroeid. Deze vraag vanuit de markt vraagt om grotere bedrijfsgebouwen en meer opslagruimte. Nieuwe en gebruikte machines worden immers ten toon gesteld en/of ter plaatse aangepast of omgebouwd. Daarnaast levert het bedrijf een breed programma van machines, werktuigen, toebehoren, onderdelen en gereedschappen. Een laatste uitbreiding van het bedrijfsterrein en de bouw van een loods zijn noodzakelijk om het bedrijf naar de toekomst toe gezond en sterk te houden door het kunnen blijven inspelen op de vraag vanuit de markt. Door de ligging van het bedrijf aan de noordzijde van het bedrijventerrein, grenzend aan het Sloebos, is met deze uitbreiding ook een fysieke grens bereikt. Aan de voorzijde wordt het bedrijf begrenst door de Kaaiweg.
In het kader van een betere ontsluiting van Borssele richting het Sloegebied is deze weg recentelijk verbreed. Tevens is een vrij liggend fietspad aangelegd. Om de benodigde gronden voor de verbreding en de aanleg van het fietspad te verwerven was een grondtransactie/grondruil met het bedrijf noodzakelijk. Bij deze transactie zijn gronden zodanig geruild dat zowel de verbreding van de Kaaiweg/aanleg van het fietspad en de uitbreiding van het bedrijf mogelijk was. Op deze manier was het mogelijk de ruimtelijke (stedenbouwkundige) invulling van het gebied te optimaliseren. Het is nu op deze gronden waarop de laatste afrondende uitbreiding van het bedrijf plaats vindt. Op deze manier kan een maatoplossing worden gezocht voor de uitbreiding van dit bedrijf.
De ruimtelijke kwaliteit kan verbeteren doordat met de uitbreiding van het bedrijventerrein de kans ontstaat om het bedrijventerrein aan de noordzijde landschappelijk beter in te passen. Hiermee kan het bedrijventerrein aan de noordzijde in de richting van het open poldergebied ruimtelijk beter afgeschermd.
Om voornoemde redenen acht de gemeente het gewenst om in onderhavig bestemmingsplan de beoogde uitbreiding en ruimtelijke afronding mogelijk te maken.
Bedrijventerreinenprogrammering Zeeland Regio de Bevelanden
Inleiding
De provincie Zeeland heeft in het Provinciaal Sociaal Economisch Beleidsplan 2005-2008 en het Omgevingsplan Zeeland 2006-2012 het instrument bedrijventerreinprogramma's geïntroduceerd. Hierin staat de vertaling van de planningsopgave voor bedrijventerreinen en hebben gemeenten in regionaal verband afspraken gemaakt over het bedrijventerreinenbeleid in de regio.
Hierbij is het van belang om te vermelden dat op basis van het nieuwe Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 op een aantal punten afgeweken mag worden van de afspraken zoals vermeld in voorliggende bedrijventerreinenprogrammering. Wel geeft deze bedrijventerreinenprogrammering de meest actuele regionale behoefte weer. In onderstaande tekst zijn de belangrijkste doelstellingen en uitspraken uit de bedrijventerreinenprogrammering weergegeven.
Doelstelling en strategie
De belangrijkste doelstelling van de Bevelandse gemeenten bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen is het scheppen van voorwaarden en het bieden van ruimte voor economische ontwikkelingspotenties in de regio, gericht op versterking van de werkgelegenheid en omzet. Daarnaast voeren de gemeenten een actief ruimtelijk ordeningsbeleid, waarin ruimtelijke kwaliteit en zuinig ruimtegebruik centraal staan. Uitgangspunt is dat de bestaande, veelal kleinschalige terreinen waarop van oorsprong lokaal georiënteerde bedrijven zijn gevestigd worden gehandhaafd, maar dat de toekomstige ruimtevraag vooral wordt opgevangen op een beperkt aantal grootschalige terreinen. Dat betekent dat uitbreiding van de kleinschalige terreinen zal worden beperkt. Wel dient er actief gezocht te worden naar maatoplossingen voor bedrijven in de dorpskernen en niet agrarische bedrijven in het buitengebied. Deze bedrijven dienen bij voorkeur op een bedrijventerrein gehuisvest te worden.
De voorgestelde strategie luidt:
Bedrijventerrein Quistenburg is een bedrijventerrein gelegen in de nabijheid van het dorp Borssele en voorziet van oudsher in een lokale behoefte. Het bedrijventerrein als zodanig is in het Regionaal Bedrijventerreinprogramma niet aangewezen als een kleinschalig bedrijventerrein. Qua beleid wordt echter wel bij de kleinschalige bedrijventerreinen aangesloten. Kleinschalige bedrijventerreinen zijn bedoeld voor bedrijvigheid die qua aard en schaal aansluit bij het dorp of de omgeving waar het toe hoort. Op dergelijke terreinen mogen nieuwe bedrijven zich vestigen tot en met milieuhindercategorie 3. Voor uitbreiding van bestaande bedrijven en verplaatsingen uit de dorpskern zijn milieucategoriebepalingen niet van toepassing.
Beperkte uitbreiding van kleinschalige bedrijventerreinen is mogelijk in de vorm van een stedenbouwkundige afronding en als er sprake is van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
Toetsing
Onderhavig bestemmingsplan betreft hoofdzakelijk een beheergericht bestemmingsplan voor een bestaand bedrijventerrein. Onderhavig bestemmingsplan is wat dit betreft niet strijdig met de bedrijventerreinenprogrammering.
Tevens staat onderhavig bestemmingsplan de uitbreiding van het bedrijf Van Eijzeren toe. Het betreft een lokaal gebonden bedrijf dat qua profiel past op het bedrijventerrein Quistenburg. Hiernaast betreft het een stedenbouwkundige afronding en kan er ruimtelijke kwaliteitswinst worden geboekt. Dit is reeds beargumenteerd in de toetsing van de Verordening Ruimte Zeeland.
Thematische regiovisie De Bevelanden; wonen, werken en recreëren in de regio
Inleiding
In dit gezamenlijk document van de gemeenten Noord-Beveland, Goes, Borsele, Kapelle en Reimerswaal,dat op 23 juli 2004 is vastgesteld, is een visie geformuleerd met betrekking tot de thema's wonen, werken en recreëren. Ingegaan wordt op het thema werken.
Uit het themarapport "De Bevelanden werkt!" zijn de volgende beleidsuitspraken te destilleren:
3. Concentreren van bedrijventerreingebonden economische activiteiten
Voortbouwend op de lijn die in het streekplan en in de structuurvisie voor de stedelijke ontwikkelingszone Goes is ingezet, worden bedrijventerreingebonden economische activiteiten geconcentreerd op een beperkt aantal grotere bedrijventerreinen in de regio. Hierdoor wordt een verdere uitwaaiering en versnippering van bedrijvigheid voorkomen.
Voor dorpsgebonden bedrijvigheid dient de mogelijkheid aanwezig te blijven voor maatwerk bij het oplossen van knelpunten. Concentratie biedt de mogelijkheid voor profilering van terreinen, voor samenwerking en uitwisseling tussen bedrijven en voor gemeenschappelijk gebruik van voorzieningen. Het verhoogt de doelmatigheid en het draagvlak van investeringen in zaken als ontsluiting en collectieve voorzieningen en biedt mogelijkheden voor verbetering van de vestigingscondities in de vorm van parkmanagement.
Ten aanzien van het thema werken wordt door de regio ingezet op een meersporenbeleid, waarbij wordt voortgebouwd op de bestaande economische structuur, de sterke punten van de regio en de specifieke potenties van deelgebieden. Om dit beleid richting uitvoering te brengen, wordt ingezet op een aantal (vervolg)acties met betrekking tot onder andere de bedrijventerreinenstrategie. Binnen deze bedrijventerreinenstrategie wordt ingezet op het verder ontwikkelen van een beperkt aantal grotere bedrijventerreinen, de (afrondende) uitbreiding van een drietal overige bedrijventerreinen én de herstructurering/ revitalisering van (delen van) verouderde terreinen.
Toetsing
Onderhavig bestemmingsplan betreft grotendeels een beheergericht bestemmingsplan voor een bestaand bedrijventerrein. Onderhavig bestemmingsplan is niet strijdig met de thematische regiovisie. Het ontwikkelingsgerichte deel van het bestemmingsplan betreft een qua schaal en aard kleinschalige uitbreiding van een bestaand bedrijf. Dit is eveneens niet strijdig met de regiovisie.
Structuurvisie Borsele 2009-2014
Inleiding
De Structuurvisie Borsele 2009-2014 is opgesteld binnen de kaders van de Wet ruimtelijke ordening en is de opvolger van de Borsatlas 2003. De structuurvisie dient een tweeledig doel. Enerzijds moet het fungeren als een gemeentelijk structuurbeeld op hoofdlijnen dat in de praktijk kan dienen als “werkdocument” bij het nemen van ruimtelijke beslissingen. Anderzijds biedt de structuurvisie op grond van de Wro de mogelijkheid om kosten te verhalen bij beoogde en in de structuurvisie opgenomen ontwikkelingen. In de structuurvisie is op hoofdlijnen vastgelegd waar de gemeente op maatschappelijk, economisch en ruimtelijk gebied zou moeten staan in 2014. Uitgangspunt hierbij is dat de structuurvisie voldoende ruimte moet bieden om nadere afwegingen te maken.
Beleidsdoelen
Er zijn drie centrale beleidsdoelen voor het ruimtelijk beleid voor het grondgebied van de gemeente Borsele geformuleerd:
Daarnaast wordt in de structuurvisie het beleid op onderdelen behandeld, waaronder: Leefbaarheid, Economie, Infrastructuur, Natuur, Landschap en Cultuurhistorie, Toerisme en recreatie en Milieu- en overige aspecten. Hieronder wordt ingegaan op de beleidsuitgangspunten en consequenties van het aspect economie.
Figuur 4: Uitsnede uit structuurvisiekaart. Het plangebied is als bestaand bedrijventerrein aangeduid.
Economie
Het bestaande beleid voor niet-agrarische bedrijvigheid wordt doorgevoerd. Met betrekking tot bedrijventerreinen houdt dit in dat:
Toetsing
Onderhavig bestemmingsplan is niet strijdig met de structuurvisie. In het bestemmingsplan worden bedrijven toegestaan tot en met categorie 3.2 . Dit zijn lokale bedrijven die goed passen op een lokaal bedrijventerrein.
Borsele, contrasten in veiligheid
Algemeen en doelstelling
In de notitie “Borsele, contrasten in veiligheid” wordt het integrale veiligheidsbeleid voor de komende jaren beschreven. Eén van de onderdelen van deze notitie die raakvlakken heeft met de ruimtelijke ordening is aandacht voor veiligheidsaspecten in het planproces. De betrokken afdelingen zijn vanuit hun specifieke werkveld verantwoordelijk voor het op het juiste moment inbrengen van de veiligheidsaspecten. Het doel, dat wordt geborgd door de beleidsmedewerker integrale veiligheid, is als volgt geformuleerd:
Sociale veiligheid, verkeersveiligheid, brandveiligheid en milieuveiligheid vormen de veiligheidsaspecten die hierbij de hoofdrol spelen.
Toetsing
Onderhavig bestemmingsplan is niet strijdig met deze beleidsnotitie.
Handhavingsnotitie, handhaving ruimtelijke regelgeving
Algemeen en doelstelling
De belangrijkste reden voor een goede handhaving van regelgeving inzake ruimtelijk beleid is het behouden en verbeteren van de bebouwde en onbebouwde leefomgeving. Het door de gemeente gewenste ruimtelijke beleid wordt vertaald in bestemmingsplannen. Dus bestemmingsplannen zijn in feite de geformuleerde normen van het ruimtelijk gewenste beleid. Het is van belang dat het beleid op het gebied van handhaving is vastgelegd binnen een structuur waarbij van te voren vastgestelde doelen worden nagestreefd. Zowel de structuur als de doelen dienen voor andere overheden en burgers zichtbaar en controleerbaar te zijn.
Doelstelling van handhaving is een zodanig niveau te bereiken dat overtredingen door gestructureerd en systematisch toezicht worden opgespoord en waarbij tegen geconstateerde overtredingen wordt opgetreden. Daarbij dient in het achterhoofd te worden gehouden dat handhaving niet alleen het daadwerkelijk repressief optreden tegen overtreders betekent, maar - daaraan voorafgaand - ook het maken van heldere en hanteerbare regels en het verschaffen van inzicht in die regels, zodat mensen het vanzelfsprekend achten zich aan de gestelde norm te houden.
Derhalve speelt de actualisering van bestemmingsplannen ook een belangrijke rol in de handhaving van ruimtelijke regelgeving.
Toetsing
Bij onderhavig bestemmingsplan is als een van de uitgangspunten gehanteerd dat moest worden voorzien in een heldere eenduidige regeling, die goed is te gebruiken door burgers en bouwplantoetsers en hiermee goed handhaafbaar is.
Beleidsnotitie “(Tijdelijk) Werken en Wonen in Borsele”
Algemeen
De bijdrage van arbeidsmigranten aan de economie is onmisbaar. Goed preventief beleid voor huisvesting arbeidsmigranten is nodig, ook als mogelijk antwoord op de toekomstige krimp en de afnemende arbeidsparticipatie van de Borselse bevolking. Daarbij is het van groot belang nieuwkomers een plek te geven in de samenleving van Borsele en hun huisvesting goed te regelen. Dat houdt in dat werkgevers, huisvesters en gemeenten de handen ineen moeten slaan om gezamenlijk structurele oplossingen te creëren voor een behoefte die alles behalve tijdelijk is. Ten aanzien van huisvesting op bedrijventerreinen wordt het volgende geadviseerd:
Toetsing
Onderhavig bestemmingsplan is niet strijdig met deze visie. In onderhavig bestemmingsplan wordt tijdelijke bewoning c.q. huisvesting van arbeidsmigranten niet mogelijk gemaakt.
Het bestemmingsplan “Quistenburg” is overwegend een beheersplan; de feitelijke situatie wordt juridisch vastgelegd. Hiermee is het onderhavige bestemmingsplan niet strijdig met het beleid.
Voor het formuleren van beleid en het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, de huidige situatie in het plangebied, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk wordt het bestaande bedrijventerrein beschreven.
De kern Borssele is in het begin van de zeventiende eeuw aangelegd als de verzorgingskern van de Borssele polder, die in het begin van deze eeuw werd bedijkt. Hiervoor was ter plaatse van de huidige kern Borssele reeds een dorp aanwezig, Monster, dat echter bij de Allerheiligenvloed van 1532 is verdwenen. Borssele werd al gesticht voordat de herbedijking helemaal gereed was. Het dorp is gesitueerd in de directe nabijheid van het verdwenen dorp Monster.
De polder Borssele en de nieuwe kern werden aangelegd in de 'renaissance-stijl'. Die stijl is in nieuwe dorpen vaak alleen terug te vinden in de relatief strakke, rationele verkaveling. Borssele echter is één van de weinige kernen, waar de renaissancestijl ook in de opbouw van de dorpsplattegrond sterk tot uitdrukking komt, door een streng geometrisch rechthoekig stratenplan.
Aan de rand van het dorp bevindt zich een vliedberg, waarop zich het voormalige kasteel Troye heeft bevonden.
Door de eeuwen heen is het dorp nauwelijks gegroeid. Het dorp Borssele kent een lage ruimtelijke en functionele dynamiek.
Om de kleinschalige kern te ontlasten is in de jaren tachtig van de vorige eeuw het bedrijfsterrein Kaaiweg ontwikkeld (het bestaande bedrijventerrein Quistenburg). Hierbij speelde ook mee dat het historische dorpshart van Borssele, dat inmiddels was uitgeroepen als 'beschermd dorpsgezicht' moest worden beschermd. Gezien de aard van de toenmalige bedrijven in de kern en het (bouw)volume daarvan, was een uitplaatsing van de bedrijven gewenst.
Algemeen
Bedrijventerreinen in de gemeente
In de gemeente Borsele zijn twee grootschalige bedrijventerreinen aanwezig. Dit is ten eerste het Sloegebied. Dit is een grootschalig industrieterrein met zeehaven aan de oostzijde van Vlissingen en direct ten noorden van de kern Borssele, dat in beheer is bij het Havenschap. Hiernaast huisvest de gemeente het bedrijventerrein Noordzak in Heinkenszand. Beide bedrijventerreinen zijn momenteel nog volop in ontwikkeling.
Hiernaast bevinden zich bij de diverse kernen nog enkele kleine bedrijventerreinen. Onder deze noemer kan ook het bedrijventerrein Quistenburg worden geschaard.
Daarnaast zijn individuele bedrijven aanwezig in verschillende kernen.
Algemeen
Het bedrijventerrein Quistenburg (ook wel bedrijventerrein Kaaiweg geheten) ligt noordoostelijk van het dorp Borssele, buiten de dorpskern. Het bedrijventerrein vormt hiermee een betrekkelijk solitair gelegen element in het polderlandschap, alhoewel de Monsterweg, waaraan het bedrijventerrein gelegen is, een deels gesloten lintbebouwingsstructuur kent.
Het bedrijventerrein vormt als het ware de overgang van plaatselijke bedrijvigheid naar grootschalige industrie (het haven- en industriegebied Vlissingen-Oost, ook wel bekend als het Sloegebied).
Het bedrijventerrein bestaat uit een tiental percelen waar bedrijven van verschillende omvang gevestigd zijn. Op het bedrijventerrein zijn naast bedrijven enkele bedrijfswoningen gelegen. Een groot deel van de ondernemers is woonachtig in het dorp en veel bedrijven zijn binnen de kern ontstaan en door economische groei terecht gekomen op het bedrijventerrein. Tevens is recentelijk nog op het bedrijfsterrein een nieuwe brandweerkazerne gebouwd.
Het bedrijventerrein grenst aan de noordzijde aan de polder Borssele. Deze relatief jonge polder wordt gekenmerkt door een grootschalige verkaveling en relatieve openheid. De gronden zijn hoofdzakelijk in agrarisch gebruik.
Aan de westzijde grenst het bedrijventerrein hiernaast deels aan gronden die deel uit maken van Groenproject 't Sloe. Dit project betreft de ontwikkeling van een grootschalig multifunctioneel groengebied dat als afschermend element dient tussen, onder andere, de kern Borssele en het industriegebied Vlissingen Oost. Dit groengebied is ervoor bedoeld dat de aanwezigheid en het volume van de industrie en de bedrijven ruimtelijk niet gaan overheersen.
Aan de oost grenst het bedrijventerrein aan de Kaaiweg. Aan de zuidzijde grenst het bedrijventerrein aan de achterzijde van de lintbebouwing aan de Monsterweg.
Onderstaande foto's geven een impressie van het bedrijventerrein.
Foto 1: Zicht op toegangsweg Quistenburg (Kaaiweg/Monsterweg)
Foto 2 tot en met 11: Foto's van het plangebied
Ruimtelijke opbouw van het gebied
Opvallend aan het bedrijventerrein Quistenburg is dat het qua totale oppervlakte een betrekkelijk kleinschalig bedrijventerrein betreft, maar toch vooral betrekkelijk grootschalige bedrijven huisvest. Het beeld van het bedrijventerrein, zoals de foto's op de vorige pagina laten zien, kenmerkt zich door forse bedrijfsgebouwen en loodsen die zijn gepositioneerd op over het algemeen ruim bemeten en opgezette kavels met grootschalig aandoende erven.
Direct aan de Kaaiweg heeft het bedrijventerrein een wat kleinschaliger uitstraling, aangezien hier diverse bedrijfswoningen zijn gelegen.
Niet het gehele bedrijventerrein is bebouwd. Aan de westzijde bevinden zich enkele kavels die alleen zijn voorzien van een verharding en dienen als stalling voor motorvoertuigen.
Functionele opbouw van het gebied
Bedrijfsfuncties
Op het bedrijventerrein bevinden zich met name bedrijven, in verschillende typologieën, waarvan de meeste binnen categorie 3 vallen. Hieronder is een bedrijvenlijst opgenomen van de op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven. Dit overzicht is uit 2012.
| Drijver inrichting | Locatie | Type inr. | Bedr. / Part. | SBI omschrijving | Bedrijfscategorie |
| Brandweerkazerne Borssele, | Quistenburg 3 Borssele | B | B | 8425 OPENBAAR BESTUUR, OVERHEIDSDIENSTEN, SOCIALE VERZEKERINGEN / Brandweerkazernes/ | Categorie 3.1. |
| De Nieuwe Maat interieurbouw | Quistenburg 13B Borssele | B | B | 41 - 3 BOUWNIJVERHEID / Bouwbedrijven en aannemersbedrijven met werkplaats/ | Categorie 2 |
| Loonbedrijf Nieuwenhuijse | Quistenburg 2 Borssele | C | B | 016 - 1 LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW / Akkerbouw/- bedrijfsgebouwen | Categorie 3.1. |
| Loonbedrijf Nieuwenhuijse | Quistenburg 2 Borssele | C | B | 016 - 1 LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW / Dienstverlening t.b.v. de landbouw/ | Categorie 3.1. |
| Van Liere, N.v.t. | Quistenburg 6 Borssele | C | B | 4621 Groothandel in landbouw, dieren en consumptiewaren | Categorie 3.1. |
| De Muynck, N.v.t. | Quistenburg 8 Borssele | B | B | 45204-C / 473-0 / 45205 / 453 HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN; BENZINESERVICESTATIONS / autospuiterij/ benzineservice station/autowasserij/Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven | Categorie 3.1. |
| De Muynck, N.v.t. | Quistenburg 8 Borssele | B | B | 493 VERVOER OVER LAND / Touringcarbedrijven/ | |
| Eijzeren B.V., P. van, Onbekend | Quistenburg 21 Borssele | B | B | 27-1 VERVAARD. VAN MACHINES EN APPARATEN/produktieoppervlakte <2000 m2 | |
| Hefmatic B.V., B.V. | Kaaiweg 13A Borssele | B | B | 251-1 VERVAARD. VAN PRODUKTEN VAN METAAL (EXCL. MACH./TRANSPORTMIDD.) / Constructiewerkplaatsen:/- gesloten gebouw | |
| Vandenende Machinebouw B.V. | Monsterweg 41 Borssele | B | B | 251-1 VERVAARD. VAN PRODUKTEN VAN METAAL (EXCL. MACH./TRANSPORTMIDD.) / Constructiewerkplaatsen:/- gesloten gebouw | |
| Drainage bedrijf Scaldis BV | Monsterweg 47 Borssele | B | B | 41 - 3 BOUWNIJVERHEID / Bouwbedrijven en aannemersbedrijven met werkplaats/bedrijfsoppervlakte <1000 m2 |
Figuur 5: Tabel bestaande bedrijven in plangebied
Op het bedrijventerrein bevindt zich één vulpunt voor motorbrandstoffen. Dit vulpunt heeft geen LPG in het assortiment. Ook bevindt zich op het bedrijventerrein een openbare maatschappelijke functie, namelijk een brandweerkazerne.
Bedrijfswoningen
Aan de Kaaiweg en de Monsterweg zijn ten slotte enkele bedrijfswoningen gelegen. In het verleden is er voor deze bestaande bedrijfswoningen een procedure hogere grenswaarde gevoerd. In de jaren hierna bleek dat de in 1991 voor het Sloegebied vastgestelde geluidzone onvoldoende geluidsruimte bood om dit industrieterrein verder te ontwikkelen. Om een volledige invulling van het Sloegebied mogelijk te maken is de bestaande geluidzone verruimd in het bestemmingsplan “Herziening geluidzone Sloegebied”. Het bestemmingsplan Borssele, gedeelte “Bedrijfsterrein Kaaiweg” is een bestemmingsplan waar de huidige geluidcontour niet door het plangebied loopt dan wel er door heen loopt doch juridisch nooit is geregeld. De nieuwe geluidcontour loopt dus niet door het plangebied maar valt wel binnen de geluidzone. Omdat binnen het vigerende plan nog geluidgevoelige bestemmingen (bedrijfswoningen) mogelijke waren zijn door het bestemmingsplan “Herziening geluidzone Sloegebied” de desbetreffende artikelen herzien en zodanig aangepast dat nieuwe bedrijfswoningen niet zijn toegestaan. In het onderhavige bestemmingsplan is deze lijn doorgezet.
Verkeer
Het bedrijventerrein wordt ontsloten via de Monsterweg en Kaaiweg. Hiernaast kent het bedrijventerrein één interne ontsluitingsstraat, namelijk Quistenburg. Deze sluit op 2 plaatsen aan op de Kaaiweg. Het bedrijventerrein kent geen specifieke ontsluitingsstructuur voor fietsers. Parkeren gebeurt met name op de eigen percelen van de bedrijven.
Algemeen
Het voorliggende bestemmingsplan is overwegend een beheersplan, waarin de bestaande situatie is vastgelegd. Hiernaast wordt ook enige ruimte geboden voor ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt, in de vorm van een gebiedsgerichte visie, het (gemeentelijk) beleid betreffende het bestemmingsplangebied verwoord.
Beheergerichte deel
Gebiedsgerichte visie
Op grond van de inventarisatie en analyse is een karakterisering van het bedrijventerrein mogelijk. Het bedrijventerrein Quistenburg ligt ruimtelijk gescheiden van de kern Borssele en grenst aan alle zijden aan het buitengebied.
Op het bedrijventerrein is de bebouwing zoveel als mogelijk geconcentreerd opgericht. De activiteiten op bedrijventerrein Quistenburg zijn divers. Dit varieert van enigszins aan het buitengebied gelieerde bedrijvigheid zoals dienstverlenende bedrijven t.b.v. de landbouw tot vreemd aan het buitengebied behorende activiteiten als een touringcarbedrijf en een brandweerkazerne.
Het bedrijventerrein is (zoveel als mogelijk) landschappelijk ingepast door om het bedrijventerrein heen een groenzone aan te brengen. Deze groenzone is met name aan de noord- en westzijde gelegen. Deze groenstrook is echter buiten het plangebied gelegen (deze maakt deel uit van het bestemmingsplan “Borsels Buiten”).
Hiernaast wordt in de zone tussen de bestaande kom Borssele en het industriegebied 'Vlissingen-Oost' een grootschalig groengebied gerealiseerd ('Groenproject 't Sloe'). Enerzijds is dit bedoeld als afschermend element tussen de kernen van de gemeente Borsele en het industriegebied 'Vlissingen-Oost'. Anderzijds krijgt het gebied een bos- en natuurfunctie en dient er plaats te zijn voor recreatie. Het Groenproject 't Sloe draagt ook bij aan de landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein Quistenburg.
Karakter bedrijventerrein Quistenburg
Op basis van de inventarisatie en analyse is een karakterisering van het bedrijventerrein mogelijk. Het bedrijventerrein Quistenburg vormt een lokaal bedrijventerrein. Op het bedrijventerrein kunnen maximaal milieucategorie 3.2 bedrijven zich vestigen. Voor het onderhavige bedrijventerrein wordt een conserverend beleid voorgestaan waar het gaat om de bestaande activiteiten. Dit houdt in dat de huidige bedrijfsactiviteiten, alsmede de bestaande milieucategorieën worden gerespecteerd en er geen actief saneringsbeleid wordt gevoerd. Herstructurering dan wel revitalisering van het voormelde bedrijventerrein behoort tot de mogelijkheden, maar binnen de kaders die dit bestemmingsplan daar voor geeft.
Milieuzonering
In de nabijheid van het bedrijventerrein bevinden zich enkele milieu\hindergevoelige functies. Het betreft de woningen gelegen aan de Kaaiweg 24 en de Monsterweg 55 en 39. In dit bestemmingsplan is hiermee rekening gehouden door vanuit deze hindergevoelige functies uitwaarts te zoneren. Hierdoor is voor een beperkt deel van het plangebied slechts bedrijvigheid tot en met categorie 2 of categorie 3.1 mogelijk. De bestaande bedrijven die binnen deze zonering vallen en momenteel een zwaardere milieucategorie hebben, zijn beide aangeduid op de verbeelding en specifiek toegestaan. Het betreft het Drainagebedrijf Scaldis aan de Monsterweg 47 en Vandenende Machinebouw aan de Monsterweg 41.
De toegepaste milieuzonering ziet erop toe dat, mochten deze bedrijven worden beëindigd, dan wel verplaatst, bij de mogelijke vestiging van nieuwe bedrijfsactiviteiten rekening gehouden moet worden met de nabije hindergevoelige functies. Er zijn alleen andere bedrijven toegestaan die passen binnen de van toepassing zijnde milieucategorie. Hiermee wordt een goede ruimtelijke ordening bedreven, zonder de rechten van de bestaande bedrijven op deze locaties te belemmeren.
Verkeer en openbare ruimte
Het bedrijventerrein Quistenburg wordt ontsloten via de Kaaiweg. Het bedrijventerrein heeft hiernaast een interne ontsluitingsweg, Quistenburg, die op twee plaatsen aansluit op de Kaaiweg. De Kaaiweg sluit op haar beur aan op de Monsterweg, de belangrijkste toegangsweg voor Borssele vanuit het oosten.
De Kaaiweg heeft een belangrijke functie als ontsluitingsroute voor verkeer vanuit de richting Borssele richting het Sloegebied. Doordat de weg onderlangs de kerncentrale niet meer toegankelijk is voor het openbaar verkeer is het belang van de functie van de Kaaiweg toegenomen. Om ruimte te bieden aan deze toegenomen verkeersfunctie van de Kaaiweg is de Kaaiweg verbreed en is tevens de noodzakelijkheid van een vrij liggend fietspad gebleken..Het ruimtebeslag dat hiervoor nodig was, is in onderhavig bestemmingsplan vastgelegd. Hiermee legt onderhavig bestemmingsplan de nieuwe verkeerskundige situatie vast.
Ontwikkelingsgerichte deel
Uitbreiding Van Eijzeren
Het landbouwmechanisatie- en constructie bedrijf Van Eijzeren B.V. wordt uitgebreid richting de noordzijde door het bouwen van een loods. De beoogde uitbreiding van het bedrijf betreft een vloeroppervlak van 5000 m2. De uitbreiding van het bedrijf is noodzakelijk vanwege de economische opschaling en verdere omschakeling van het bedrijf naar een marktgerichte benadering van de landbouwmechanisatie. Door de opschaling van de te bewerken percelen is meer en meer behoefte aan grotere machines en apparatuur. De vraag vanuit de markt richt zich ook op het specifiek (ver)bouwen van machines en apparaten. De op dit moment beschikbare ruimte is te klein om tegemoet te komen aan deze opschaling. Een laatste uitbreiding van het bedrijf en bedrijfsterrein is hiervoor noodzakelijk. Op het bedrijfsterrein zelf staan geen bruikbare, bijvoorbeeld vergelijkbaar qua grootte, loodsen te koop. Ook op de overige bedrijfsterreinen binnen de gemeente Borsele en op de bedrijfsterreinen van andere gemeenten op de Bevelanden staan geen geschikte loodsen te koop.
Bedrijfseconomisch is het voor Van Eijzeren B.V. niet wenselijk en niet werkbaar om het bedrijf op meerdere locaties te versnipperen. Het gaat om een landbouwmechanisatie-, constructie- en installatiebedrijf met gekoppelde bedrijfsprocessen en sterke organisatorische verbanden. Daar komt bij dat het kantoor en de bedrijfswoning op dezelfde locatie zijn gevestigd. Het is dus vanuit bedrijfseconomische redenen ongewenst om een nevenvestiging op een andere locatie op te richten.
Het voorliggende bestemmingsplan is overwegend een beheersplan, waarin de bestaande situatie is vastgelegd.
Het plan voorziet daarnaast in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, namelijk de uitbreiding van het bedrijf Van Eijzeren B.V. Bij een nieuwe ontwikkeling is het van belang om te bekijken of er geen milieubelemmeringen aanwezig zijn. Een ontwikkeling mag enkel doorgang vinden als een goed woon- en leefklimaat kan worden geboden. Vice versa mag de ontwikkeling de kwaliteit van de leefomgeving niet (onevenredig) aantasten.
In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan een aantal milieu- en duurzaamheidsaspecten. Er vindt steeds eerst een toetsing plaats aan het bestemmingsplan als geheel, dat een beheergericht karakter heeft. Hierna wordt specifiek ingegaan op het ontwikkelingsgerichte deel (de uitbreiding van het bedrijf Van Eijzeren B.V.).
Algemeen
Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Een m.e.r.-plicht voor bestemmingsplannen kan op twee manieren ontstaan, namelijk via het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) en de Natuurbeschermingswet 1998.
In de navolgende paragrafen worden het beheergerichte en ontwikkelingsgerichte onderdelen van het bestemmingsplan getoetst aan de wetgeving.
Toetsing beheergericht deel
Toetsing aan Besluit m.e.r.
Onderhavig plan staat geen bedrijven toe die worden genoemd als inrichting die voorkomt uit de bijlage C en D bij het Besluit m.e.r. Om die reden is geen sprake van een (plan)mer-plicht vanuit het Besluit m.e.r.
Toetsing aan Natuurbeschermingswet
Wat betreft de Natuurbeschermingswet is geïnventariseerd of het plangebied in de nabijheid ligt van een natuurbeschermingsgebied. Het plangebied ligt op ongeveer 1.750 meter afstand van het Natura 2000-gebied 'Westerschelde & Saeftinghe'.
Figuur 6: Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied
Er is getoetst of er als gevolg van onderhavig plan sprake is van een significant verstorend effect op de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Bij onderhavig Natura 2000-gebied is relevant dat verschillende habitattypen in dit Natura 2000-gebied gevoelig zijn voor vermesting en verzuring. Een toename van stikstofdepositie heeft een vermestend en verzurend effect op stikstofgevoelige habitats. Gezien de bestaande hoge achtergrondniveaus is in dit geval elke verdere toename van de stikstofemissie significant.
Om deze reden is getoetst of onderhavig bestemmingsplan bedrijfsactiviteiten toestaat die stikstof uitstoten, want dan leidt de uitbreiding of wijziging van deze bedrijfsactiviteiten mogelijk tot een toename van de stikstofdepositie.
Stikstofemitterende bedrijven zijn over het algemeen bedrijven waarbij verbranding deel uitmaakt van de bedrijfsprocessen. Deze bedrijven komen niet voor op het bedrijventerrein Quistenburg en komen niet voor op de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Hiernaast heeft het bestemmingsplan grotendeels een beheergerichte karakter, met een regeling die gebaseerd is op conservering van de bestaande situatie. Ten slotte is het natuurbeschermingsgebied op geruime afstand van het plangebied gelegen. Om deze redenen kunnen significante effecten op het natuurgebied worden uitgesloten. Een passende beoordeling is niet nodig.
Toetsing ontwikkelingsgericht deel
Toetsing aan Besluit m.e.r.
Het uit te breiden bedrijf Van Eijzeren B.V. valt te kenmerken als een landbouwmechanisatie-, constructie- en installatiebedrijf.. De activiteiten vallen niet onder MER bijlage D onder 32.2. Om deze reden is een milieu-effectrapportage niet noodzakelijk.
Toetsing aan Natuurbeschermingswet
Het uit te breiden bedrijf Van Eijzeren B.V. betreft een landbouwmechanisatie-constructie- en installatiebedrijf. Het buiten terrein wordt gebruikt voor de stalling van landbouw machines. De constructie activiteiten vinden hoofdzakelijk binnen plaats. Verbranding maakt geen deel uit van de bedrijfsprocessen. De uitbreiding van het bedrijf leidt dus niet tot een verhoging van de stikstofdepositie. Om deze reden kunnen significante effecten op het natuurgebied worden uitgesloten.
Conclusie
Zoals uit de voorgaande paragrafen blijkt is bij onderhavig bestemmingsplan een milieu-effectrapportage niet noodzakelijk. Ook een vormvrije m.e.r.-beoordeling is om deze reden niet noodzakelijk.
Algemeen
Voordat een bestemmingsplan wordt vastgesteld, moet aangetoond zijn dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik.
Wettelijk is bepaald dat een omgevingsvergunningsplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Voor nieuwe ontwikkelingen zal, waar nodig bodemonderzoek worden uitgevoerd.
Toetsing beheergericht deel
Het voorliggende bestemmingsplan is overwegend een beheersplan, waarin de bestaande situatie is vastgelegd. Om die reden kan verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek in het kader van dit bestemmingsplan achterwege blijven. Er zijn wat betreft het aspect 'bodem' geen belemmeringen.
Toetsing ontwikkelingsgericht deel
Inleiding
In het kader van de uitbreiding van het bedrijf Van Eijzeren B.V. is ter plaatse van de beoogde uitbreiding van het bedrijfsterrein een bodemonderzoek uitgevoerd1 met als doel de bodemkwaliteit ter plaatse vast te stellen. Hieronder wordt kort op de resultaten van dit onderzoek ingegaan. Het bodemonderzoek zelf is als bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd.
Onderzoeksresultatan
Grond:
Grondwater:
Toetsing hypothese en conclusie
De vooraf opgestelde hypothese 'onverdachte locatie' wordt verworpen, vanwege de licht verhoogde parameters in grond en grondwater.
De onderzoeksresultaten geven echter geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende tussen- en interventiewaarde. De resultaten vormen geen milieuhygiënische belemmering voor de voorgenomen uitbreiding van het bedrijfsgebouw.
Conclusie
Het aspect 'bodem' leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.
Algemeen
Verdrag van Malta
In Europees verband is het zogenaamde “Verdrag van Malta” (1992) tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden is, naast de doorvertaling in nationale wet- en regelgeving, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, dus de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, moeten door de initiatiefnemer worden betaald. Het “Verdrag van Malta” is in 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg geïmplementeerd in de Nederlandse Monumentenwet. In combinatie met de Wet ruimtelijke ordening, en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, is behoud en beheer van het bodemarchief daarmee integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van gemeenten.
Gemeentelijk archeologiebeleid
Door burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele is archeologiebeleid vastgesteld (d.d. 11 oktober 2011), waarmee invulling wordt gegeven aan de beleidsruimte die de Monumentenwet aan gemeenten biedt. Het archeologiebeleid is opgesteld met de intentie een verantwoorde balans te bieden tussen het belang van archeologie en andere belangen die spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het beleid, dat gebaseerd is op een analyse van de plaatselijke situatie, geeft aan wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Het rapport “Archeologiebeleid gemeente Borsele” (d.d. 30 juni 2011) bestaat uit een “Deel A: Beleidsnota archeologie” en een “Deel B: Toelichting beleidskaart”. Deel B is een (ruimtelijke) uitwerking van het archeologiebeleid (deel A). Op basis van de beleidskaart, die bestaat uit een samenhangend pakket van kaarten en een toelichting, kan worden bepaald of voor een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling op een specifieke locatie al dan niet archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in 8 categorieën, waarvan enkele categorieën bekende archeologische waardevolle gebieden omvatten en andere een bepaalde verwachtingswaarde op archeologische vondsten weergeven. Aan elke categorie, uitgezonderd categorie 1, is een, aan oppervlakte van grondverstoring gebonden, vrijstelling voor archeologisch onderzoek gekoppeld. Bij alle categorieën, wederom uitgezonderd categorie 1, geldt in ieder geval dat geen onderzoek hoeft plaats te vinden indien de bodem niet dieper dan 40 cm wordt verstoord. De gehanteerde categorieën zijn:
Toetsing beheergerichte deel
Het bestemmingsplan is getoetst aan het gemeentelijke archeologische beleid. De archeologische verwachting is opgenomen in een aantal kaartbeelden. Hieronder is een uitsnede opgenomen van kaartlaag 1.
Figuur 7: Kaartlaag 1 Archeologische beleidskaart met globale aanduiding plangebied
Uit het kaartbeeld blijkt dat vrijwel het gehele plangebied is gelegen in categorie 4 (hoge verwachting). Om deze reden is op vrijwel het gehele plangebied een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' gelegd, waarin een regeling is opgenomen die onderzoek verplicht stelt bij ingrepen groter dan 250 m2. Hiermee worden de archeologische waarden geborgen.
Toetsing ontwikkelingsgericht deel
In het kader van de uitbreiding van het bedrijf Van Eijzeren B.V. is een archeologisch onderzoek uitgevoerd2. Hieronder wordt ingegaan op dit onderzoek. Het volledige rapport is als bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd.
Onderzoeksopzet
In het verleden zijn reeds meerdere booronderzoeken uitgevoerd binnen en rondom het plangebied. De resultaten van deze onderzoeken zijn opnieuw bekeken en aangevuld met meer recentere gegevens. Daarbij is de verwachtingswaarde conform het nieuwe gemeentelijke archeologiebeleid (de gemeentelijke maatregelenkaart) getoetst aan de hand van de bestaande
gegevens.
Resultaten
Het archeologisch bureauonderzoek heeft uitgewezen dat het plangebied zich in een vlakte van getijafzettingen bevindt. De afzettingen die behoren tot het Laagpakket van Walcheren zijn afgezet op Hollandveen op afzettingen die behoren tot het Laagpakket van Wormer. Dit Laagpakket van Wormer heeft zich dunner dan 1 meter ontwikkeld. Deze vlakte van getij-afzettingen wordt doorsneden door een oude kreek aan de westelijke zijde van het plangebied. Uit analyse van de oude kaarten en topografische kaarten blijkt dat het gebied in de 16e eeuw overstroomd is, als gevolg van verscheidene stormvloeden. Daarbij is het dorp Sint Katherijnekerke, gelegen ten noordoosten van het plangebied, verdronken. Het gebied is herbedijkt aan het begin van de 17e eeuw. Op geen van de kaarten is bebouwing afgebeeld. Deze situatie is tot op heden onveranderd. De huidige Kaaiweg dateert uit de 17e eeuw.
Booronderzoek, uitgevoerd in het recent verleden, heeft uitgewezen dat binnen het plangebied vanaf het maaiveld afzettingen kunnen worden aangetroffen die behoren tot het Laagpakket van Walcheren. Vanaf 0.40 meter beneden maaiveld zijn in enkele boringen in het westelijke deel van het plangebied en direct ten oosten van het plangebied archeologische indicatoren aangetroffen. De top van het Hollandveen kan worden aangetroffen vanaf circa 2.45 meter beneden maaiveld (1.74 meter -NAP). De top van het Laagpakket van Wormer bevindt zich op circa 3.90 meter beneden maaiveld (2.91 meter -NAP). In geen van de boringen zijn op het niveau van het Hollandveen en het Laagpakket van Wormer archeologische indicatoren aangetroffen.
Aan de hand van de resultaten van het bureauonderzoek en de voorheen reeds uitgevoerde booronderzoeken kan onderstaand gespecifieerd verwachtingsmodel worden opgesteld:
Conclusie
Op basis van bovenstaande bevindingen wordt voor de huidige planvorming archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van Proefsleuven (IVO-P) in het geval de geplande bodemverstoring dieper is dan 0,40 meter onder het huidige maaiveld en de oppervlakte van deze verstoring groter is dan 250 m2.
Als er sprake van de noodzaak een IVO-P uit te voeren, dan dient hiertoe vooraf een Programma van Eisen opgesteld te worden dat goedgekeurd en ondertekend dient te worden door de bevoegde overheid.
Vervolgonderzoek archeologie
Het vervolgonderzoek archeologie dient nog plaats te vinden. Om de mogelijke archeologische waarden te beschermen, is de ontwikkelingslocatie binnen de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' gelegd.
Conclusie
Het aspect 'archeologie' leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.
Algemeen
Per 1 januari 2012 is de Monumentenwet 1988 gewijzigd en gelijktijdig, als gevolg daarvan, ook het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hiermee is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Naast archeologie (zie daarvoor paragraaf 5.2) dienen ook de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Toetsing beheergericht deel
Binnen het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het plangebied bevindt zich wel in de nabijheid van diverse cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het betreft de volgende elementen:
Binnen of in de nabijheid van het plangebied liggen verder geen gemeentelijke monumenten. Wel bevinden zich historisch geografische elementen in of in de nabijheid van het plangebied.
Toetsing ontwikkelingsgericht deel
Ter plaatse van de beoogde uitbreidingslocatie van het bedrijf Van Eijzeren B.V. bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen. Om die reden hoeft niet te worden verwacht dat er cultuurhistorische waarden worden aangetast.
Conclusie
Bij onderhavig plan zijn geen cultuurhistorische waarden in het geding. De geldende wettelijke regelingen voorzien in een afdoende bescherming.
Beleidskader
Algemeen
Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen. Per 1 november 2003 is door een wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht geworden. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan.
De voerende waterschappen in Nederland richten zich op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde duurzame watersystemen. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Naast de Waterwet blijft de Waterschapswet als organieke wet voor de waterschappen bestaan. Nagestreefd wordt het vergroten van de belevingswaarde van stedelijk water, natuurvriendelijke inrichtingen en de duurzaamheid van watersystemen. De waterbeheerders werken daarom samen met gemeenten, die de regie hebben over de ruimtelijke ordening en het beheer van de openbare ruimte, om deze doelstellingen uit te halen. Het Waterschap Scheldestromen is verantwoordelijk voor de waterkwantiteit en -kwaliteit in het onderhavige gebied. De bestaande riolering in de omgeving van het plangebied is in beheer en eigendom van de gemeente Borssele.
Waterbeleid 21e eeuw (Rijksbeleid)
In het afgelopen decennium heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het rijk, de provincies, de waterschappen en de gemeenten zijn onder meer overeengekomen dat:
Deelstroomgebiedsvisie
De deelstroomgebiedsvisie is een gezamenlijk product van de waterschappen, gemeenten en de provincie als trekker. Hierin spelen “ruimte voor water” en “water als ordenend principe” een belangrijke rol. De visie richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming door veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en een aantal mogelijke technische maatregelen welke kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van “vasthouden - bergen - afvoeren”. De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te krijgen die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer.
Omgevingsplan Zeeland 2012-2018
Hoogwaterveiligheid
De Provincie Zeeland wil het risico van overstromingen verkleinen. De Provincie en andere overheden werken via drie sporen samen aan meerlaagsveiligheid. Ten eerste door sterke waterkeringen voorkomen dat overstromingen plaatsvinden. Ten tweede het gebied zo inrichten dat schade en slachtoffers bij een doorbraak beperkt blijft. Ten derde een doeltreffende organisatie van de rampenbestrijding.
Oppervlaktewater
De Provincie Zeeland houdt toezicht op het verkrijgen van gezonde en veerkrachtige samenhangende stelsels van sloten, watergangen, kreekrestanten en andere binnenwateren (watersystemen). Het waterschap is verantwoordelijk voor de uitvoering.
Leidraad voor het waterbeheer vormt de provinciale waterfunctiekaart die de waterhuishoudkundige bestemming met bijbehorende gebruiksvoorwaarden van het grond- en oppervlaktewater aangeeft.
Waterfunctiekaart met globale aanduiding plangebied
De grondwaterstand en het oppervlaktewaterpeil moeten worden afgestemd op de gebiedsfuncties op de waterfunctiekaart. Het waterschap werkt dit uit in een Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR).
Waterkwaliteit
Alle regionale binnenwateren moeten uiterlijk in 2027 voldoen aan de gestelde waterkwaliteitseisen. Het waterschap draagt hier zorg voor.
Waterketen
Een goed en efficiënt functionerende afvalwaterketen levert een bijdrage aan het behalen van waterkwaliteitsdoelstellingen.
Wateroverlast
Naar aanleiding van een aantal natte jaren met veel neerslag is ingezet op het terugdringen van regionale wateroverlast in het landelijk en stedelijk gebied (Waterbeheer 21ste eeuw). Bij nieuwe bebouwing wordt rekening gehouden met de mogelijkheden en beperkingen van het watersysteem.
Grondwater
De Provincie zorgt samen met andere partijen voor een goede kwaliteit en kwantiteit van het grondwater en houdt hier toezicht op.
Waterkansenkaart
In het kader van de kwaliteit van de woonomgeving wordt in gestreefd naar het voorkomen van wateroverlast. Eén van de middelen hiervoor is de waterkansenkaart. De kaart geeft aan waar functies vanuit het watersysteem/beheer optimaal bediend kunnen worden (kleine risico's voor wateroverlast en vochttekort) en het waterbeheer in beginsel tegen de laagste kosten kan worden uitgevoerd.
Waterkansenkaart uit provinciale omgevingsvisie (bron: Geoloket)
Uit de waterkansenkaart blijkt het volgende:
Met het water mee II 2010 - 2015
Het waterschap richt zich op het in stand houden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen. Het oppervlaktewater wordt niet los gezien van het grondwater. Ruimtelijke plannen moeten daartoe getoetst worden op de gevolgen voor de waterhuishouding.
Rioleringsplan Borsele GRP4, Borsele 2012-2017
Het vierde GRP heeft als hoofddoel: het continueren van de hoofddoelen van de eerdere gemeentelijke rioleringsplannen en het verder klimaatbestendig maken van het rioleringsysteem.
Andere subdoelen zijn:
Waterplan Borsele 2011-2014
Het waterplan, “schoon water, ook voor later”, is opgesteld door de gemeente Borsele in samenwerking met het waterschap Scheldestromen en de Provincie Zeeland.
Het waterplan bevat in eerste plaats een strategische algemene visie. Het plan is bedoeld om beleidsuitgangspunten te formuleren. Het plan is kaderstellend en heeft doorwerking in ruimtelijke plannen omdat het bestuurlijk wordt vastgesteld.
Het doel van het waterplan is:
Het waterplan gaat onder meer in op de volgende thema's:
Huidig watersysteem
Grondwatersysteem
Het watersysteem in het plangebied is in te delen in het type “Groot Zoet” en “Dun Zoet”. Het systeem Groot zoet is van toepassing voor de terreinen 3 en 4 en het systeem Dun zoet voor de overige terreinen. Bij grote zoete watersysteemtypen, is in principe grondwateronttrekking mogelijk. Dit is afhankelijk van de functietoekenning van de gebieden. Dit watersysteemtype bevindt zich in hoger gelegen gebieden met een zandige bodemopbouw waar slechts een dunne deklaag van klei of veen aanwezig is. Hierdoor kan de neerslag gemakkelijk in de bodem infiltreren en bevindt zich zoet water tot op een diepte van meer dan 15 meter beneden maaiveld. Bij het dunne zoet watersysteemtype is een dunne zoete bel aanwezig in percelen of in grotere eenheden.
Deze dunne zoete bellen kunnen niet worden gewonnen in verband met verziltingsgevaar. Dunne zoete bellen kunnen ook niet worden gewonnen waar het oppervlaktewater brak tot zout is.
Oppervlaktewatersysteem
Het plangebied maakt onderdeel uit van de afwateringseenheden Van Borssele.
Toetsing beheergericht deel
Overzicht van indicatieve ontwerprichtlijnen en toetsingscriteria
In overleg met het waterschap Scheldestromen is aan de hand van het “Overzicht van indicatieve ontwerprichtlijnen en toetsingscriteria” uit de “Handreiking Watertoets” een advies voor het plangebied gegeven. In onderstaande tabel is het waterschapsadvies verwerkt.
| Thema | Waterdoelstelling | Toetsing |
| Veiligheid | Waarborgen veiligheidsniveaus | Het plangebied ligt niet nabij een primaire waterkering en/of een transportroute gevaarlijke stoffen over water. |
| Wateroverlast | Reductie wateroverlast, Vergroten veerkracht watersysteem |
Gezien het conserverende karakter van het bestemmingsplan worden geen nadelige effecten voorzien. |
| Watervoorziening | Het voorzien van de bestaande functie van water van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment. Het tegengaan van nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op de behoefte aan water. | Gezien het conserverende karakter van het bestemmingsplan worden geen nadelige effecten voorzien voor de watervoorziening. |
| Veiligheid | Waarborgen veiligheidsniveaus | Het plangebied ligt niet nabij een primaire waterkering en/of een transportroute gevaarlijke stoffen over water. |
| Wateroverlast | Reductie wateroverlast, Vergroten veerkracht watersysteem |
Gezien het conserverende karakter van het bestemmingsplan worden geen nadelige effecten voorzien. |
| Watervoorziening | Het voorzien van de bestaande functie van water van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment. Het tegengaan van nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op de behoefte aan water. | Gezien het conserverende karakter van het bestemmingsplan worden geen nadelige effecten voorzien voor de watervoorziening. |
| Volksgezondheid. | Minimaliseren risico water gerelateerde ziekten en plagen; Reduceren verdrinkingsrisico's | In het plangebied is geen open water van enige omvang aanwezig. De aan de rand van het plangebied gelegen sloten worden zodanig onderhouden dat er geen risico's voor de volksgezondheid ontstaan. Bij aanpassingen aan sloten wordt rekening gehouden met kindveilige taluds, voldoende waterdiepte en doorstroming. |
| Riolering | Vasthouden, bergen, afvoeren; reductie hydraulische belasting rwzi. |
Rioolstelsel Het huidige gemengde rioolstelsel in de kern blijft gehandhaafd. Dit plan is immers conserverend van aard. De volgende voorkeursvolgorde zal bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheden worden gehanteerd: 1. hemelwater (her-)gebruiken als grijswater, 2. infiltratiemogelijkheden benutten 3. afgekoppeld hemelwater lozen op oppervlaktewater in de directe omgeving of elders via een hemelwatertransportbuis. Als deze mogelijkheden niet worden benut zal het hemelwater op het (gemengde) rioolstelsel geloosd worden. Gescheiden aanleg droogweerafvoer (afvalwater) en hemelwater Nieuwe bedrijven worden voorzien van een aansluiting op een toekomstig gescheiden rioolstelsel. Waterberging De basisinspanning voor riolering in de planperiode dient gerealiseerd te worden door extra berging te creëren en tenminste 5% van het huidige verhard oppervlak af te koppelen. Het uitgangspunt van het Omgevingsplan is dat 95% van het verhard oppervlak voor nieuwbouwlocaties afgekoppeld wordt. Het waterschap streeft naar 100% afkoppeling. |
| Bodemdaling | Tegengaan van verdere bodemdaling en reductie functie geschiktheid | Het peilregiem van het plangebied is al afgestemd op bebouwd gebied. Daarom zullen geen veranderingen in het peilregiem plaatsvinden die voor bodemdaling zorgen. |
| Grondwateroverlast | Tegengaan van grondwateroverlast | Bij nieuwe plannen dient de in de Verordening Waterhuishouding Zeeland opgenomen richtlijn voor de ontwateringsdiepte minimaal 70 cm beneden het maaiveld aangehouden te worden. |
| Oppervlaktewater kwaliteit | Behoud en realisatie van goede waterkwaliteit voor mens en natuur |
Gezien het conserverende karakter van het bestemmingsplan is er geen sprake van invloed op de oppervlaktewaterkwaliteit. |
| Grondwaterkwaliteit | Behoud en realisatie van goede waterkwaliteit voor mens en natuur | Het bedrijventerrein ligt niet in een bufferzone van een kwetsbaar gebied, een infiltratiegebied, natuurgebied of gebied voor drinkwatervoorziening. Gezien het conserverende karakter van het bestemmingsplan is er geen sprake van invloed op de grondwaterkwaliteit. |
| Verdroging | Bescherming karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden | Er is geen sprake van het onttrekken van grondwater of het infiltreren van grondwater met als doel het later weer op te pompen in het plangebied, dus verdroging is hier niet aan de orde. |
| Natte Natuur |
Ontwikkeling en bescherming van een rijke, gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur | Er bevindt zich geen natte natuur in of nabij het plangebied. Aangezien het in het onderhavige bestemmingsplan gaat om een beheersplan, waarin geen ontwikkelingen zijn voorzien is het aspect natte natuur bestemmingsplanmatig niet aan de orde. |
| Onderhoud (mogelijkheid) waterlopen | Oppervlaktewater dient adequaat onderhouden te worden | Daar waar in de planperiode werkzaamheden aan waterlopen watergangen worden uitgevoerd, worden indien mogelijk natuurvriendelijke oevers aangelegd. Langs waterlopen dient een afstand van 5 tot 7 meter aangehouden te worden ten behoeve van het onderhoud door het waterschap. |
| Waterschapswegen | M.b.t. de aanwezigheid waterschapswegen binnen / nabij het plangebied | N.v.t; er liggen geen waterschapswegen binnen het plangebied |
Toetsing ontwikkelingsgericht deel
Voor de locatie van het landbouwmechanisatie-constructie- en installatiebedrijf.Van Eijzeren B.V., waar op basis van voorliggend bestemmingsplan direct uitbreidingsmogelijkheden worden geboden, is specifiek naar de wateraspecten gekeken. Op 17 januari 2013 heeft hierover overleg plaatsgevonden tussen de gemeente en het waterschap. Naast de beoogde uitbreiding van de werkplaats is ook de uitbreiding van de stallingsruimte bij de wateropgave betrokken. Voor de watertoets wordt verwezen naar onderstaande tabel.
| Thema | Waterdoelstelling | Toetsing |
| Veiligheid | Waarborgen veiligheidsniveau. | Het plangebied ligt niet nabij een primaire waterkering en/of transportroute gevaarlijke stoffen over water. |
| Wateroverlast | Reductie wateroverlast, vergroten veerkracht watersysteem. | Het afstromend verhard oppervlak zal in totaliteit toenemen met ca. 5800 m2. Er is al voorzien in extra berging door de aanleg van een nieuwe kavelsloot met 8m bovenbreedte aan de noordzijde van het plangebied. Tevens is bij de aanleg van het fietspad langs de Kaaiweg aan de westzijde van de Kaaiweg een 8m brede sloot aangelegd. |
| Watervoorziening | Het voorzien van de bestaande functie van water van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment. Het tegengaan van nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op de behoefte aan water. | De watervoorziening is niet in het geding. Hergebruik is een optie die wordt gestimuleerd. |
| Volksgezondheid | Minimaliseren risico water gerelateerde ziekten en plagen; Reduceren verdrinkingsrisico's. | De aan de rand van het plangebied gelegen sloten worden zodanig onderhouden dat er geen risico's voor de volksgezondheid ontstaan. Bij aanpassingen aan sloten wordt rekening gehouden met kindveilige taluds, voldoende waterdiepte en doorstroming. |
| Riolering | Vasthouden, bergen, afvoeren; reductie hydraulische belasting rwzi. | Er wordt een gescheiden stelsel aangelegd, waarbij al het hemelwater naar het oppervlaktewater wordt afgevoerd. Het vuilwater wordt aangesloten op het bestaande vuilwaterriool in de Quistenburg. |
| Bodemdaling | Tegengaan van verdere bodemdaling en reductie functie geschiktheid. | De polderpeilen worden niet aangepast. Daarom zullen geen veranderingen in het peilregiem plaatsvinden die voor bodemdaling zorgen. |
| Grondwater overlast | Tegengaan van grondwateroverlast. | Er zijn geen problemen met grondwateroverlast.. |
| Oppervlaktewater kwaliteit | Behoud en realisatie van goede waterkwaliteit voor mens en natuur. | Het hemelwater wordt afgekoppeld / niet aangesloten op de riolering conform de door het Waterschap gehanteerde afkoppelbeslisboom. Er zijn daardoor geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit. |
| Grondwater kwaliteit | Behoud en realisatie van goede waterkwaliteit voor mens en natuur. | Het plangebied ligt niet in een infiltratiegebied, natuurgebied of gebied voor drinkwatervoorziening. |
| Verdroging | Bescherming karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden. | Verdroging is niet aan de orde. |
| Natte natuur | Ontwikkeling en bescherming van een rijke, gevarieerde en natuurlijke karakteristieke aquatische natuur. | Er bevindt zich geen natte natuur in of nabij het plangebied. Er zijn daarom geen bijzondere maatregelen te treffen. |
| Onderhoud(mogelijkheid) waterlopen | Oppervlaktewater dient adequaat onderhouden te worden. | Rekening is gehouden met vrije onderhoudsstroken met een breedte van 5m langs de bestaande kavelsloot en de sloot aan de westzijde van de Kaaiweg. |
| Waterschapswegen | M.b.t. de aanwezigheid waterschapswegen binnen / nabij het plangebied | Er zal geen nieuwe uitrit en dam worden gemaakt op het deel van de Kaaiweg wat eigendom is van het waterschap. Gebruik zal worden gemaakt van de bestaande uitrit op de Quistenburg binnen de bebouwde kom. Vanwege herschikking van bestaande bedrijfsactiviteiten is de toename van vervoersbewegingen verwaarloosbaar. |
Watertoets
Het onderhavige bestemmingsplan wordt in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan het waterschap. De resultaten van de watertoets zullen hierna aan dit bestemmingsplan worden toegevoegd.
Inleiding
Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de natuurwetgeving. In de navolgende paragrafen wordt allereerst de geldende wet- en regelgeving besproken. Hierna wordt ingegaan op achtereenvolgens het beheergerichte en ontwikkelingsgerichte deel van dit bestemmingsplan.
Wet- en regelgeving
Bij de natuurwetgeving kan een tweedeling worden gemaakt in soort- en gebiedsbescherming. Soortbescherming vindt plaats via de Flora- en faunawet, de gebiedsbescherming gebeurt via de Vogel- en Habitatrichtlijn.
Natuurbeschermingswet
Vanuit de Europese Unie is beleid geformuleerd ten aanzien van de bescherming en ontwikkeling van natuur en soorten in het kader van de totstandbrenging van een samenhangende Europese Ecologische Hoofdstructuur: Natura 2000. Twee van de regelingen die deze ecologische hoofdstructuur tot stand moeten brengen én veel gevolgen kunnen hebben voor ruimtelijke plannen zijn de Vogel- en Habitatrichtlijn. De doelstelling van de Vogelrichtlijn is bescherming van en het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor zeldzame en bedreigde vogelsoorten. De Habitatrichtlijn heeft tot doel de habitats van zeldzame planten- en diersoorten te beschermen.
Alle thans feitelijk ecologisch belangrijke gebieden die behoren tot de nog aanwezige en in de toekomst verder uit te bouwen en te verstevigen Europese ecologische hoofdstructuur moeten onder de bescherming van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. De Habitatrichtlijn bevat een lijst met beschermde habitats en soorten. Op basis van deze lijsten is onderzocht welke gebieden van belang zijn voor deze soorten. De ecologisch belangrijke gebieden zijn aangewezen als speciale beschermingszones. Aangewezen vogel- en habitatrichtlijngebieden worden juridisch beschermd. Dit betekent dat intensiveringen van het huidige gebruik en nieuwe activiteiten moeten worden beoordeeld op mogelijk schadelijke gevolgen, met inbegrip van de zogeheten externe werking. De bescherming van de gebieden is sinds 1 oktober 2005 vastgelegd in de gewijzigde Natuurbeschermingswet.
Flora en faunawet
In de Flora- en faunawet, die sinds 1 april 2002 van kracht is, is de bescherming van planten en diersoorten geregeld. De bescherming krijgt gestalte via een aantal verbodsbepalingen, die gelden bij ruimtelijke ingrepen, plannen en projecten. Het is verboden om vaste broed-, rust- en groeigebieden en andere vaste verblijfplaatsen van beschermde inheemse dieren en planten te vernielen of te verstoren. In hoeverre de verbodsbepalingen van toepassing zijn is afhankelijk van het beschermingsregime waartoe de soort behoort. Ook is in de Flora- en faunawet een zogenaamde zorgplichtbepaling opgenomen. Deze houdt in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora en fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijke handelingen achterwege te laten
Toetsing beheergericht deel
Toetsing natuurbeschermingswet en Flora en Fauna wet
Onderhavig plangebied is gelegen op circa 1.750 m afstand van het Natura 2000-gebied 'Westerschelde en Saeftinghe'. Het plan betreft een conserverend bestemmingsplan waarbinnen de bestaande situatie wordt vastgelegd en geen noemenswaardige nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn, van onevenredige aantasting van kenmerken en waarden is dan ook geen sprake..
Toetsing ontwikkelingsgericht deel
Recent hebben enkele ingrijpende (infrastructurele) ontwikkelingen plaats gevonden in de directe nabijheid en in het gebied waar de beoogde uitbreiding van het landbouwmechanisatie-constructie- en installatiebedrijf Van Eijzeren B.V is geprojecteerd. Het betreft de verbreding van de Kaaiweg, de aanleg van het naastgelegen vrijliggende fietspad en het verleggen van de sloot op de planlocatie. Gezien de aard en omvang van de werken is het plausibel dat het uitvoeren van een Flora en Fauna onderzoek op deze locatie niet tot een vereiste behoord.
Wel dienen de werkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de uitbreiding buiten het broedseizoen (circa 15 maart tot 15 juli) plaats te vinden. Dit om te voorkomen dat verboden handelingen ten aanzien van broedvogels plaatsvinden. Als dit niet mogelijk is, kan de vegetatie voor het broedseizoen worden verwijderd, zodat vogels zich niet in het plangebied vestigen. Wanneer werkzaamheden voor 15 maart aanvangen, zullen vogels buiten de (tijdelijke) verstoringszone gaan broeden en niet gestoord worden door de werkzaamheden.
Conclusie
Het aspect 'flora en fauna' leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.
Inleiding
Bij onderhavig plan moet worden getoetst of de bedrijven op het bedrijventerrein leiden tot hinder op de omgeving. Bij de toetsing van dit aspect kan aansluiting gezocht worden bij de indicatieve afstanden genoemd in de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, Den Haag, editie 2009). Deze VNG-publicatie geeft op systematische wijze informatie over de milieukenmerken van vrijwel alle voorkomende bedrijfstypen. Het biedt daarmee een hulpmiddel om ruimtelijke ordening en milieu op gemeentelijk niveau op elkaar af te stemmen.
In de lijst is voor allerlei soorten "milieubelastende activiteiten" aangegeven welke richtafstanden vanwege geur, stof, geluid en gevaar bij voorkeur aangehouden moeten worden ten opzichte van "milieugevoelige activiteiten". De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Onderstaand het verband tussen de afstand en de milieucategorie.
| milieucategorie | richtafstand rustige woonwijk | |
| 1 | 10 meter | |
| 2 | 30 meter | |
| 3.1 | 50 meter | |
| 3.2 | 100 meter | |
| 4.1 | 200 meter | |
| 4.2 | 300 meter | |
Figuur 8: Tabel afstanden milieucategorieën
Toetsing beheergericht deel
Huidige situatie
In het plangebied is een aantal mogelijke milieuhinderlijke bedrijven/voorzieningen gevestigd. Op grond van de categorie-indeling van de VNG-brochure is in beeld gebracht welke richtinggevende afstanden van te noemen bedrijven/voorzieningen tot milieugevoelige bestemmingen, waaronder wonen, aangehouden kunnen worden. In de volgende tabel is voor ieder bedrijf (situatie anno 2012) aangegeven onder welke milieucategorie het bedrijf valt. Hoe hoger de milieucategorie, hoe groter de afstand tot milieugevoelige bestemmingen dient te zijn om hinder te voorkomen.
| Drijver inrichting | Locatie | Type inr. | Bedr. / Part. | Hoogste categorie / indicatieve zone | SBI omschrijving |
| Brandweerkazerne Borssele, Onbekend | Quistenburg 3 Borssele | B | B | Categorie 3.1. 50 meter |
8425 OPENBAAR BESTUUR, OVERHEIDSDIENSTEN, SOCIALE VERZEKERINGEN / Brandweerkazernes/ |
| De Nieuwe Maat interieurbouw, Onbekend | Quistenburg 13B Borssele | B | B | Categorie 2 30 meter |
41,42,43 - 3 BOUWNIJVERHEID / Bouwbedrijven en aannemersbedrijven met werkplaats/bedrijfsoppervlakte <1000 m2 |
| Loonbedrijf Nieuwenhuijse, Onbekend | Quistenburg 2 Borssele | C | B | Categorie 3.1 50 meter |
016 - 1 LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW / Akkerbouw/- bedrijfsgebouwen |
| Loonbedrijf Nieuwenhuijse, Onbekend | Quistenburg 2 Borssele | C | B | Categorie 3.1 50 meter |
016 - 1 LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW / Dienstverlening t.b.v. de landbouw/ |
| Van Liere, N.v.t. | Quistenburg 6 Borssele | C | B | Categorie 3.1 50 meter |
4621 Groothandel in landbouw, dieren en consumptiewaren |
| De Muynck, N.v.t. | Quistenburg 8 Borssele | B | B | Categorie 3.1 50 meter |
45204-C / 473-3 / 45205 / 453 HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN; BENZINESERVICESTATIONS / autospuiterij/ benzineservice station/autowasserij/Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven |
| De Muynck, N.v.t. | Quistenburg 8 Borssele | B | B | Categorie 3.2 100 meter |
493 VERVOER OVER LAND / Touringcarbedrijven/ |
| Eijzeren B.V., P. van, Onbekend | Quistenburg 21 Borssele | B | B | Categorie 3.2 100 meter |
27,28,33 - 1 VERVAARD. VAN MACHINES EN APPARATEN/produktieoppervlakte <2000 m2 |
| Hefmatic B.V., B.V. | Kaaiweg 13A Borssele | B | B | Categorie 3.2 100 meter |
251, 331 - 1 VERVAARD. VAN PRODUKTEN VAN METAAL (EXCL. MACH./TRANSPORTMIDD.) / Constructiewerkplaatsen:/- gesloten gebouw |
| Vandenende Machinebouw B.V. | Monsterweg 41 Borssele | B | B | Categorie 3.2 100 meter |
251,331 -1 VERVAARD. VAN PRODUKTEN VAN METAAL (EXCL. MACH./TRANSPORTMIDD.) / Constructiewerkplaatsen:/- gesloten gebouw |
| Drainage bedrijf Scaldis BV | Monsterweg 47 Borssele | B | B | Categorie 2 30 meter |
41,42,43 - 3 BOUWNIJVERHEID / Bouwbedrijven en aannemersbedrijven met werkplaats/bedrijfsoppervlakte <1000 m2 |
| witgoedhandel D. van der Graaf | Quistenburg 5 | Categorie 2 | 466,469 Overige grth (bedrijfsmeubels, emballage, vakbenodigdheden e.d. | ||
| De Bromfietsman | Quistenburg 7 | 30 meter | 451,452,454 Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven | ||
| RDB Techniek (opslag) | Quistenburg 7A | Categorie 2 | 52109 -B Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) | ||
| E. de Bruine (opslag) | Quistenburg 9 | 30 meter | 52109 -B Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) | ||
| schildersbedrijf John Jansen (opslag) | Quistenburg 13 | Categorie 2 | 52109 -B Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) | ||
| Pee Wee service & techniek (opslag) | Quistenburg 15F | 30 meter | 52109 -B Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) | ||
| Tuintechniek Zeeland (opslag) | Quistenburg 15G | Categorie 2 | 52109 -B Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) | ||
| Pim's Autoservice | Quistenburg 15H / 15K | 30 meter | 451,452,454 Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven |
Figuur 9: Bestaande bedrijven in plangebied
Regeling bedrijven in onderhavig bestemmingsplan
Uitgangspunt bij onderhavig bestemmingsplan is een zodanige milieuzonering van het bedrijventerrein te realiseren dat geen hinder ontstaat voor de omringende woonomgeving.
Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen.
In voorliggend bestemmingsplan is een zonering opgenomen. In algemene zin zijn bedrijven toegestaan tot en met milieucategorie 3.2. In de nabijheid van hindergevoelige functies gelegen buiten het plangebied zijn echter lagere milieucategorieën toegestaan (tot en met categorie 2 of tot en met categorie 3.1). Hiervoor is een zonering toegepast op basis van een uitwaartse zonering vanuit de hindergevoelige functies (zie ook hoofdstuk 4 waarin dit is besproken). Daar waar er momenteel bedrijven met een zwaardere milieucategorie aanwezig zijn dan op basis van de zonering mogelijk is, zijn deze specifiek aangeduid en toegestaan. Dit betekent dat de rechten van de bestaande bedrijven zijn verzekerd, maar dat na beëindiging of verplaatsing van deze bedrijven alleen een bedrijf toegestaan is passend binnen de (deels lagere) milieucategorieën, zoals aangeduid op de verbeelding. Met deze werkwijze worden bestaande rechten van bedrijven gerespecteerd. Verder wordt een toename van hinder voorkomen en wordt een goede ruimtelijke ordening bedreven. Uitbreiding van bedrijven en verandering van het type bedrijvigheid is mogelijk binnen de in voorliggend bestemmingsplan opgenomen regeling.
Bedrijfswoningen
Wat betreft bedrijfswoningen kan worden gesteld dat alleen de bestaande bedrijfswoningen toegestaan zijn en als zodanig zijn aangeduid. Wat betreft bedrijfswoningen op bedrijventerreinen wordt in algemene zin een hogere milieubelasting acceptabel geacht. Tevens wordt milieuhinder van het bedrijf waar de bedrijfswoning bij hoort, niet meegenomen in de beoordeling.
Aangezien in onderhavig bestemming geen bedrijven in een hogere milieucategorie worden toegestaan dan in het vigerende bestemmingsplan en er geen nieuwe bedrijfswoningen worden mogelijk gemaakt, blijft de milieuhinder ongewijzigd. Aangenomen wordt daarom dat de milieusituatie acceptabel is.
Hieraan kan ten slotte worden toegevoegd dat ook gezien de geluidszone van het industrieterrein Sloegebied, waar het gehele plangebied binnen valt (zie ook paragaaf 5.9.), geen nieuwe bedrijfswoningen mogelijk zijn.
Toetsing ontwikkelingsgericht deel
Onderhavig bestemmingsplan maakt de uitbreiding van het bedrijf Van Eijzeren B.V. mogelijk. Dit betreft een landbouwmechanisatie-constructie- en installatiebedrijf. In de bedrijvenlijst is het bedrijf ingeschaald onder de categorie “Vervaardiging van machines en apparaten / produktieoppervlakte <2000 m2”. Dit is een categorie 3.2. bedrijf met een indicatieve hinderzone van 100 m.
Door de plannen wordt het bedrijfsterrein aan de noordelijke zijde van het bedrijventerrein vergroot. Er bevinden zich geen hindergevoelige functies (zoals woningen) binnen een zone van 100 m van het uit te breiden bedrijf. Om die reden hoeft hinder op de omgeving niet verwacht te worden.
Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' heeft in onderhavig bestemmingsplan voldoende aandacht gekregen. Door toepassing van een milieuzonering wordt goede ruimtelijke ordening bedreven.
Wegverkeerslawaai
Ingevolge artikel 74 Wet geluidhinder zijn in principe alle wegen gezoneerd. Uitzondering op deze regel zijn wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt en woonerven. Voor gezoneerde wegen geldt een grenswaarde van 48 dB. Deze waarde wordt berekend op basis van Lden. Als een geluidzone geheel of gedeeltelijk binnen het plangebied valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen die geluidszone (artikel 77 Wgh). Dit heeft echter slechts betrekking op nieuwe ontwikkelingen die binnen 10 jaar worden voorzien.
Bedrijven betreffen geen geluidsgevoelige bestemmingen waarvoor akoestisch onderzoek naar verkeerslawaai nodig is. Voor het bestaande bedrijventerrein hoeft dan ook geen onderzoek te worden uitgevoerd.
Industrielawaai
Algemeen
In het bestemmingsplan moet op basis van het Activiteitenbesluit worden aangetoond dat de te realiseren hindergevende functies binnen het plan een aanvaardbare geluidshinder hebben voor de omliggende geluidhindergevoelige functies.
Toetsing
Bedrijventerrein Quistenburg
Het voorliggende bestemmingsplan is overwegend een beheersplan, waarin de bestaande situatie is vastgelegd. In het kader van dit bestemmingsplan is het dus niet nodig om een akoestisch onderzoek industrielawaai uit te voeren. Er zijn wat betreft het aspect 'geluid industrielawaai ' geen belemmeringen.
Sloegebied
Onderhavig plangebied is in de buurt gelegen van het Sloegebied (Vlissingen-Oost), een grootschalig haven- en bedrijventerrein bij Vlissingen. Rondom dit bedrijventerrein is in 1991 bij Koninklijk Besluit een geluidszone vastgesteld. In de jaren daarna bleek dat het verruimen van de geluidzone de enige mogelijkheid was om structureel geluidsruimte voor het industrieterrein te creëren.
Om te voorkomen dat een economisch kerngebied van nationaal belang beperkt werd in zijn ontwikkeling is daarom onderzocht of het mogelijk was de geluidzone op te rekken. In dit licht bezien heeft een akoestisch onderzoek plaats gevonden naar de gewenste aanpassing van de geluidzone. Het juridische kader voor de verruiming van de geluidzone is neergelegd in het bestemmingsplan 'Herziening geluidzone Sloegebied'. Het bestemmingsplan Borssele, gedeelte “Bedrijfsterrein Kaaiweg” is echter een bestemmingsplan waar deze nieuwe geluidcontour niet door het plangebied heen loopt maar wat door de verruiming van de zone wel binnen de geluidzone komt te liggen. Omdat binnen dit plangebied nog bedrijfswoningen waren toegestaan is het bestemmingsplan Borssele, gedeelte ”Bedrijfsterrein Kaaiweg” hierop aangepast en is vastgelegd dat er geen nieuwe bedrijfswoningen mogen worden gerealiseerd. In onderhavig bestemmingsplan is deze regeling gecontinueerd. Er is geregeld dat binnen de zone nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen niet zijn toegestaan.
Algemeen
Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De Wet luchtkwaliteit betreft een wijziging van de Wet milieubeheer op het gebied van luchtkwaliteitseisen. Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. Tevens zijn in deze wet de Europese richtlijnen Luchtkwaliteit geïmplementeerd.
Voor luchtkwaliteit is stikstofdioxide het meest maatgevend, omdat deze stof door de invloed van het wegverkeer het snelst een overschrijding van de grenswaarde veroorzaakt. Daarnaast zijn ook de concentraties van fijn stof van belang. De grenswaarde voor fijn stof wordt als gevolg van de hoge achtergrondconcentraties in grote delen van Nederland overschreden.
Beheergericht deel
Huidige situatie
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool3 uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van het ministerie van VROM geraadpleegd. De saneringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in het plangebied tussen 2011 en 2020. De monitoringstool kent scenario's zonder en met lokale maatregelen die er voor moeten zorgen dat op termijn overal aan de grenswaarden wordt voldaan. Beide typen scenario's laten in de toekomst een afname van de concentraties zien. Dit komt doordat bedrijven en het verkeer steeds schoner worden door technologische verbeteringen. De saneringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2011, 2015 en 2020 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.
Uit de monitoringstool blijkt dat de concentraties voor fijn stof (PM10) maximaal 22,7 µg/m3 en stikstofdioxide (NO2) maximaal 18,1 µg/m3 in 2011 bedraagt bij de Westerscheldetunnelweg (N62). Deze weg is drukker dan de Monsterweg waaraan het plangebied is gelegen. De concentraties fijn stof en stikstofdioxide zijn dan ook ter plaatse van het plangebied lager dan nabij de Westerscheldetunnelweg.In de onderstaande figuur zijn de concentraties PM10 en NO2 voor het jaar 2011 uit de monitoringstool weergegeven.
Figuur 10: Concentraties PM10 en NO2 voor het jaar 2011
De concentraties luchtverontreinigende stoffen liggen hiermee onder de grenswaarden van 40 µg/m3. Deze grenswaarden zijn op Europees niveau vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Tevens geven de uitkomsten uit de monitoringstool aan dat de concentraties van de luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2015 en 2020 in het plangebied verder afnemen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.
Conclusie Monitoringstool
Uit de monitoringstool blijkt dat de grenswaarden van 40 µg/m3 voor zowel fijn stof als stikstofdioxide niet worden overschreden.
Onbenutte oppervlak
Binnen het plangebied kan het bedrijf Van Eijzeren nog iets uitbreiden. Deze uitbreiding zorgt voor maximaal 10 nieuwe verkeersbewegingen.
Daarnaast is op het bedrijventerrein nog ongeveer 1,1 hectare bedrijventerrein beschikbaar voor de nieuw vestiging van bedrijven. De vestiging van bedrijven op het onbenutte deel van het bedrijventerrein zal zorgen voor een toename van de verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de huidige situatie.
Op basis van de kengetallen uit de CROW-publicatie 256 “Verkeersgeneratie woon- en werkgebieden” bedraagt de verkeersaantrekkende werking 235 voertuigbewegingen per etmaal.
De totale toename van de verkeersaantrekkende werking (planbijdrage) bedraagt 245 voertuigbewegingen per etmaal.
Met behulp van de NIBM-rekentool4 (versie oktober 2012) is de verslechtering van de luchtkwaliteit ten gevolge van het plan berekend. Een plan is in betekenende mate wanneer de toename van de luchtverontreiniging (NO2 of PM10) meer is dan 1,2 µg/m3. Wanneer een plan “niet in betekenende mate”(NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is toetsing van het plan aan de grenswaarden op grond van de Wm niet noodzakelijk.
Bij het opstellen van de NIBM-rekentool is uitgegaan van een worstcase situatie: bij de berekening van de concentratietoename zijn de kenmerken van het verkeer, de straat en de omgeving zo gekozen dat een situatie ontstaat met een maximale luchtverontreiniging.
Figuur 11: uitkomst NIBM-rekentool
Conclusie NIBM-toets
De capaciteit die op het huidige bedrijventerrein (1,1 hectare) reeds aanwezig is zorgt wanneer deze geheel wordt benut voor een toename van de verkeersaantrekkende werking. Deze toename van de verkeersaantrekkende werking is dusdanig beperkt dat het plan Niet In Betekenende Mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
Algehele conclusie
Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.
Algemeen
Bepaalde maatschappelijke activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van de risico's bij de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid of het nieuw vestigen van dergelijke activiteiten kunnen beperkingen opleggen aan de omgeving, doordat veiligheidsafstanden tussen risicovolle activiteiten en bijvoorbeeld woningen nodig zijn. Aan de andere kant is het rijksbeleid er op gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed op elkaar worden afgestemd.
De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten (artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)). Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca, sportterreinen en parkeerterreinen.
Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde.
Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Bevi (stb. 250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld. De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen.
Huidige situatie
Sloegebied
In de nabijheid van het plangebied is het industriegebied Vlissingen-Oost (Sloegebied) gelegen. Op dit bedrijventerrein zijn grootschalige bedrijven in de hogere milieucategorieën gelegen. Ook vinden er activiteiten plaats die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn.
Het industrieterrein Sloegebied is voorzien van een veiligheidscontour. Onderhavig plangebied is gelegen buiten deze veiligheidscontour. Vanuit het Sloegebied zijn er dus geen belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.
Bedrijventerrein Quistenburg
Op het bedrijventerrein Quistenburg zijn (beperkt) kwetsbare objecten bedrijfswoningen van derden. Op het bedrijventerrein zijn geen bedrijven aanwezig die moeten worden aangemerkt als Bevi-inrichting. Nabij het plangebied zijn geen stationaire en of mobiele bronnen gelegen die een nadere verantwoording van het groepsrisico behoeven. Op de navolgende afbeelding is een fragment van de provinciale risicokaart opgenomen. De globale ligging van het plangebied is aangeduid met een blauw kader.
Figuur 12: Fragment provinciale risicokaart Zeeland
Toetsing
Als gevolg van voorliggend bestemmingsplan neemt het aantal ((beperkt) kwetsbare) personen in het plangebied niet toe. De personen in het plangebied zijn daarnaast goed zelfredzaam en is de brandweerkazerne en alarmering in het plangebied aanwezig. Het plangebied is goed ontsloten.
Wel ligt het plangebied binnen de evacuatiezone van de kerncentrale Borssele. Ten aanzien van dit aspect wordt voorliggende bestemmingsplan voorgelegd aan de veiligheidsregio.
De overige bedrijven of mobiele bronnen hebben geen invloed op de haalbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. Het uitvoeren van een nader onderzoek kan derhalve achterwege blijven.
Conclusie
Voor het onderhavige bestemmingsplan hoeft in het kader van een “goede ruimtelijke ordening” geen verantwoording van het groepsrisico te worden uitgevoerd aangezien het plan “Bedrijventerreinen Quistenburg” een beheergericht plan is. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Kabels en leidingen
Er zijn geen grootschalige leidingen binnen het plangebied gelegen die moeten worden voorzien van een planologische bescherming. Er zijn daarom in het bestemmingsplan geen dubbelbestemmingen opgenomen die toezien op de bescherming van kabels of leidingen.
Bij eventuele bouwwerkzaamheden zal rekening worden gehouden met eventueel overige aanwezige kabels en leidingen.
Bufferzone
Op grond van het Omgevingsplan Zeeland dient tussen agrarische bedrijven en woon- en verblijfsrecreatiegebieden een afstand van minimaal 100 meter te worden aangehouden. Een kleinere afstand (50 meter) kan gehanteerd worden, indien daarvoor geen noemenswaardige hinder bij de gevoelige bestemmingen(en) optreedt en dit niet leidt tot onevenredige beperkingen voor de betrokken landbouwbedrijven.
Onderhavig plan betreft een bedrijventerrein grenzend aan het buitengebied. Bedrijven zijn niet hindergevoelig. Het bufferbeleid is echter wel relevant voor de bestaande (bedrijfs)woningen.
Het bestemmingsplan voor het buitengebied van Borsele, genaamd Borsels Buiten, is vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 26 juni 2007 en gedeeltelijk goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van provincie Zeeland d.d. 5 februari 2008. Op 1 april 2009 is dit goedkeuringsbesluit door de Raad van State vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gebleven. In het bestemmingsplan Borsels Buiten is nieuwvestiging van agrarische bedrijven nabij de rand van de kern niet mogelijk. Voorts is er in dit bestemmingsplan een aanlegvergunningstelsel opgenomen, voor o.a. het inplanten van boomgaarden binnen een zone van 100 meter tot categorie I-objecten als bedoeld in de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996. Dit vergunningstelsel houdt ondermeer in dat binnen 50 meter van woonbebouwing niet zondermeer nieuwe boomgaarden kunnen worden aangeplant.
Binnen 100 meter van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven en boomgaarden gelegen. De nieuwvestiging van agrarische bedrijvigheid en het inplanten van boomgaarden op de gronden grenzend aan het plangebied worden uitgesloten. In het voorliggende bestemmingsplan is dan ook niet in een bufferzone voorzien.
Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Een verplichting tot realisering van de bestemming is er echter niet. Wel mag de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang).
Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden' (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden).
Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor het bebouwen van de gronden en het verrichten van werken (aanleggen).
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer, het Bouwbesluit en de gemeentelijke Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld:
De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. Dit bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen:
Bedrijf
Op de kaart zijn alle bedrijven en gronden waarop bedrijven worden beoogd in de bedrijfsbestemming opgenomen. De bedrijven zijn in verschillende milieucategorieën in te delen. Het betreft de milieucategorie bedrijven tot en met categorie 2, categorie 3.1 en categorie 3.2 van de bij de regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten. Deze zonering is tot stand gekomen op basis van een uitwaartse zonering ten opzichte van buiten het plangebied gelegen milieuhindergevoelige functies. In hoofdstuk 4 is deze werkwijze besproken.
Binnen de opgenomen categorieën zijn bedrijven volgens de in het bestemmingsplan opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten vrij uitwisselbaar. De bebouwing moet opgericht worden in de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken. Op deze wijze wordt de situering van de bebouwing nader geregeld. Ter plaatse van de aanduiding “bedrijfswoning” is een bedrijfswoning toegestaan.
Ook is met een specifieke functieaanduiding een tweetal bedrijven specifiek bestemd, namelijk ten eerste het riolerings- en drainagebedrijf Scaldis, gelegen aan de Monsterweg 47 en ten tweede het constructiebedrijf Van den Ende aan de Monsterweg 41/43. Het eerste bedrijf heeft een functieaanduiding 'bouwbedrijf' gekregen, het tweede bedrijf een aanduiding 'constructiebedrijf'. Deze functieaanduidingen hebben ermee te maken dat de milieucategorie van deze bedrijven hoger is dan de algemeen toegestane milieucategorie op basis van de toegestane zonering.
Hiernaast is de bestaande brandweerkazerne binnen het plangebied aangeduid, aangezien dit geen bedrijf betreft maar een openbare voorziening.
Met betrekking tot gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn regels opgenomen over de situering en de maatvoering.
Ten aanzien van de situering van de gebouwen en verschillende maatvoeringen zijn afwijkingsregels opgenomen. Tevens is een afwijkingsregel opgenomen ten aanzien van de toegelaten aard van bedrijfsactiviteiten. De mogelijkheid wordt geboden om bedrijfsactiviteiten toe te staan die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten voorkomen.
In de specifieke gebruiksregels zijn diverse zaken uitgesloten. Het betreft detailhandel, windturbines, grote lawaaimakers en m.e.r-plichtige inrichtingen.
Groen
Deze bestemming is gelegd op de afschermende bos- en beplantingsstrook aan de west en noord-westzijde van het plangebied. De regeling is gericht op het behoud van deze bos- en beplantingsstrook en staat slechts in zeer beperkte mate bebouwing toe.
Verkeer
De beoogde straten, voet- en fietspaden, rabatten, parkeerterreinen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van het openbare nut zijn bestemd als “Verkeer”. De bouwregels zijn met name gericht op de maximaal toegestane hoogtematen. De oppervlakte van gebouwen mag maximaal 15 m2 bedragen en de bouwhoogte 3,5 meter.
Waarde - Archeologie - 2
De gronden met de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie - 2” zijn mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden van de gronden.
Bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende bestemmingen mogen onder voorwaarden vernieuwd of veranderd worden. Ter plaatse van de bestemming “Waarde - Archeologie - 2” dient de aanvrager voor het bouwen voor een bouwwerk waarbij de bodemverstoring groter is dan 250 m2 en dieper dan 40 cm een archeologisch rapport te overleggen. Indien het oprichten van een bouwwerk kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden kunnen burgemeester en wethouders naar aanleiding daarvan voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning. Daarnaast is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor werken en werkzaamheden die de grond roeren (voorheen genoemd: aanlegvergunningsstelsel). Tot slot zijn in deze bestemmingen wijzigingsbevoegdheden opgenomen om de archeologisch waardevolle gebieden te kunnen wijzigen.
Waarde - Archeologie - 1, 3 en 4
Deze bestemmingsregelingen zijn voor de volledigheid opgenomen aangezien het mogelijk is de van toepassing zijnde dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' naar deze andere archeologische dubbelbestemmingen te wijzigen.
Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.
Wel is het zinvol nog de wijzen op de aanduidingsregeling die is opgenomen in de regels. De regeling ziet toe op de instandhouding van de geluidszone van het industrieterrein Sloegebied, die over het gehele plangebied is gelegen. De regeling houdt in dat er geen nieuwe geluidhindergevoelige functies mogen worden gerealiseerd.
Ingevolge het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) dienen de overgangsregels met deze formulering in de regels van een bestemmingsplan te worden opgenomen.
De slotregel bevat de naam van het bestemmingsplan.
Het voorliggende bestemmingsplan is grotendeels een zogenaamd “conserverend“ bestemmingsplan. Er zijn voor de gemeente geen uitvoeringskosten in relatie tot dit bestemmingsplan aanwezig die noodzaken tot het opstellen van een specifiek onderzoek naar economische aspecten. De in het bestemmingsplan opgenomen nieuwe ontwikkeling betreft een particuliere initiatief op eigen grond. Ten behoeve van deze ontwikkeling hoeven door de gemeente Borsele geen voorzieningen te worden getroffen, noch aan- of verkopen te worden gedaan. Conform artikel 6.24 Wet ruimtelijke ordening heeft de gemeente de kosten verhaald op de initiatiefnemer via een (anterieure) overeenkomst. Daar waar geen sprake is van een bouwplan (6.2.1 Bro) zijn de kosten op grond van de legesverordening op de initiatiefnemers verhaald. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee voldoende verzekerd geacht.
Ingevolge de inspraakverordening van de gemeente Borsele dient de gemeente de bevolking te betrekken bij de voorbereiding van plannen op ruimtelijk gebied. Het voorontwerp van het bestemmingsplan zal in verband daarmee op het gemeentesecretariaat ter inzage worden gelegd en worden gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl en de gemeentelijke website.
Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg gepleegd te worden met besturen van gemeenten, met provinciale diensten etc. Voor dit plan zal overleg worden gepleegd met:
Te zijner tijd zullen de resultaten van het vooroverleg worden besproken en worden toegevoegd aan de toelichting van dit bestemmingsplan.